Na lang zwijgen over mijn ervaringen in het seminarie heeft mij ook doen besluiten het te willen opschrijven, wellicht ook van mij afschrijven want het beklijfde sterk aan mij. Ik bedacht me om het als een soort levensverhaal op te schrijven waarbij ik ben gestart bij het moment dat ik mij bewust was te bestaan. In ieder geval voor zover ik mij meende te herinneren.
Vervolgens heb ik mijn levenswandel chronologisch gevolgd met alle gebeurtenissen. Bij mijn zangoefeningen ben ik op een flinke blokkade gestuit en heb toen mijn verhaal niet meer kunnen vervolgen. Wellicht pak ik dat later nog wel weer op want hiermee is mijn verhaal natuurlijk niet afgelopen. Zeker niet na mijn gerechtelijke ervaringen die, zeer tot mijn frustratie, niet hebben geleid tot een veroordeling en vervolging van alle gepleegde misdaden door deze misdadige RKKerk. Wie weet komt er nog een vervolg.
T H E O D O R U S
GODSGESCHENK
Vaak vraag ik mij af wat de eerste herinnering was van mijn bestaan. Met wie was het eerste oogcontact dat ik mij kan herinneren? Was het misschien een gebeurtenis die mij deed beseffen dat ik bestond? Er moet natuurlijk een moment zijn geweest dat ik mij daar bewust van was, gewoon dat ik leefde. Hoogstwaarschijnlijk zal dat mijn moeder of vader zijn geweest want ik zal ongetwijfeld door ze zijn geknuffeld dan wel door mijn oudste zus of twee broers die mij al waren voorgegaan. Wat zou het leuk zijn als je nog zou kunnen aangeven wanneer en waar het was dat je voor het eerst contact had met een medemens. Het zou ook best gewoon de geur van vers gebakken brood kunnen zijn dat mij opmerkzaam maakte op het aards bestaan.
Bij mijn geboorte was moeder 38 jaar en vader een jaartje jonger. Hardwerkende mensen die net de oorlog achter zich hadden gelaten en een nieuw bestaan moesten opbouwen. Moeder was vaders tweede echtgenoot. Hij was eerder getrouwd geweest doch zij overleed al kort na hun huwelijk. Wat daarvan de oorzaak is geweest hebben wij nooit vernomen wel hebben wij daar diverse ooms en tantes aan over gehouden. Vaak ook wisten wij werkelijk niet wie hij of zij nu weer was maar zeiden altijd braaf oom of tante. Wisten wij veel.
In april 1936 trouwde vader met moeder waaruit uiteindelijk een zevental is voortgekomen. Allemaal geboren en getogen in hetzelfde huis aan een drukke doorgaande weg en de nog drukkere werkzaamheden achter die gevel. Daar hebben wij ook allemaal flink de handen uit de mouwen moeten steken bij het helpen in de bakkerij of de winkel.
Als vierde kind van een warme bakker zou het niet ongewoon zijn als ik al vroeg de geur van vers gebakken brood heb geroken. Nu, zeventig jaar later, blijft het gezicht van mijn opa, de vader van mijn moeder, mij het scherpst voor ogen als degene waaraan ik de eerste herinneringen had. Die getekende grijze kop van een alleraardigste oude man zittend naast de kolenhaard met mij op zijn schoot.
Deze gebrilde en grijs besnorde Limburger had een markante kop en ik kon geen kwaad bij hem doen. Maar het was ook wel die plek naast de kolenhaard in onze achterkamer die mij scherp voor ogen staat met die flikkerende vlammetjes achter dat micaglas waarvan er altijd wel een paar kapot waren. Daarnaast was de schuifdeur naar de winkel die als maar open en dicht werd geschoven door moeder, de winkelmeisjes of een van de knechten uit de bakkerij. Het was een drukte van belang en dat bekeek ik almaar vanaf die troon van mijn opa. Dat daar toen ook die geuren van brood en gebak mijn deel werden is mij later natuurlijk wel duidelijk geworden.
Volgens overlevering was ik eerder al, waarschijnlijk een jaartje of drie, in februari 1944 tijdens een bombardement naar de kerk gebracht om gedoopt te worden.
Daar is mij zeker niets van bij gebleven hoewel die kerkgang mijn latere leven danig zou beïnvloeden. Nog niet wetend waar ik al deze belangstelling aan te danken had stonden mijn ouders vast vol trots met hun vierde kindje om dat, “In de naam des Heren”, te laten dopen. Daar heeft misschien zelfs wel een traantje bij gevloeid want als streng gelovigen was dit toch weer een gelukzalig moment. Het zal ook zeker de pastoor zijn geweest die Gods water over mijn hoofdje heeft laten stromen.
Hij was ten slotte kind aan huis bij ons en wist de weg naar de sigarenkist en de cognac perfect te vinden.
Het zal mij tevens niet verbazen als ik op dat moment flink zal hebben gekrijst om al heel jong aan te geven het hier niet mee eens te zijn. Het heeft kennelijk geen indruk gemaakt want ik werd gewoon ingelijfd in de katholieke kerk. Ik kreeg de namen Theodorus Engelbertus opgeplakt waarbij ik aanneem dat mijn ouders niet zullen hebben geweten dat Theo ‘God’ betekent in het Grieks en Theodorus een Godsgeschenk is.
De naamgeving zal uit overlevering zijn gekomen want mijn vader heette Johannes Theodorus en daarvoor zullen zeker nog enkele Godsgeschenken hebben rondgelopen. Zo was er ook een Heeroom Theo die missionaris was en nog eens twee Heerooms maar hun namen kan ik mij niet meer herinneren. Waar dat Engelbertus vandaan kwam is mij nooit duidelijk geworden. Als klein kind hing ik aan hun lippen als zij terug waren vanuit de Congo, Brazilië of Argentinië. Op jonge leeftijd al was ik geobsedeerd door de gedachten rond te lopen in die rimboe, in mijn witte pij, met al die kleine zwarte kindjes rondom mij heen. Het idee van de kraaltjes en de spiegeltjes was mij toen nog niet bekend.
Ik werd geboren in een katholiek nest waar het geloof en het kruis altijd prominent aanwezig waren. Overigens niet alleen dat kruis want er hoorde nog een hele familie bij. De kerk en het geloof was centraal in ons leven en daarlangs werd ook gelopen. Niet zo heel erg lang bleef ik de jongste van dit gezin want toen ik anderhalf was kreeg ik er een zusje bij en dat betekende natuurlijk concurrentie.
Uiteindelijk bleek ik de spil te worden in een gezin van zeven kinderen, waar ik dus de middelste van was. Mijn territorium drift bleek niet uniek voor mij te zijn want er waren er meer in dit gezelschap die zich flink wisten te roeren. Wat wil je in een gezin met twee meiden en vijf jongens. Daarbij was het thuis een drukte van jewelste met de bakkerij en de winkel inclusief het personeel.
Dat het een drukte van belang was in ons gezin was mij al vroeg op gevallen.
In de bakkerij werd om een uur of vier ‘s morgens de oven aangestoken, het deeg voorbereid en gekneed waarna in de kelder de eerste hand werd gelegd aan alle gebak en banket. Die geuren namen dan al vroeg bezit van het hele pand en wisten wij natuurlijk dat er alle hens aan dek was. Toen der tijd, ik spreek nu van de jaren 40/50, werd ook alle brood nog rondgebracht naar diverse wijken in de buurt. Daarvoor stonden vier grote bakfietsen klaar die bemand werden door de knechten die elk voor zich hun wijk in gingen met al dat heerlijke warme brood.
In onze omgeving was er altijd wel iets te doen met al die bedrijvigheid van de vele middenstandszaken. Wij woonden aan een zeer drukke straat met aan weerszijden allemaal winkels en moeder was als de dood dat ons daar iets zou overkomen.
Veelvuldig stonden wij rondom een ongelukkige fietser die geschept was door een auto. Een onvoorzichtige voetganger, zoals ik zelf, die eens op de grote bumper van een Bedford enkele meters meereed. Wij waren gewaarschuwd.
Zo vlak na de oorlog waren dit tijden voor een bloeiende middenstand en overal was wel een groenteboer, slager, kruidenier, bakker, visboer of allerhande andere winkels als schoenmaker, zaadhandel, smederij, kapper, drogisterij, etc. Het zijn lang vervlogen dagen maar ik weet nog al te goed hoe leuk het was om overal te kunnen spelen. De speelplaats van de kleuterschool en lagere school was om de hoek.
Bij de kruidenier naast ons werden de goederen nog met paard en wagen bezorgd.
Een nostalgisch beeld van oude tijden maar voor mij toen een grote speeltuin.
In mijn herinnering was moeders vader, opa voor mij, wel een duidelijk baken in mijn prille bestaan maar snel daarna komen toch ook de beelden van het grote huis, die trappen en de koekoeksklok. Al die mensen om mij heen die mij vertroetelden dat zij tot het personeel behoorden was toen voor mij nog onbekend.
Vader en moeder hadden het veel te druk in de zaak om genoeg aandacht aan de kinderen te kunnen geven. Met z’n zevenen vroegen wij natuurlijk ook alle aandacht en vonden bij elkaar veel ruimte voor spel en plezier. Vader was daar vaak helemaal niet van gediend en maakten wij veelvuldig kennis met zijn grote schoenen en dito handen. Dat staat mij ook altijd nog helder voor de geest, die grote schoenen met van die blikken binnenzolen. Dan kwamen er nog elastieken kousen over de dikke benen van vader en bij elkaar was dat zeer bedreigend. Ook het hele profiel van een mattenklopper heeft eens een week lang mijn dijbeen gesierd. ’s Morgens vroeg op weg naar school stonden op de achterplaats de bakfietsen gereed met het warme brood om te worden rondgebracht. Mijn oudere broer zat op een van deze bakfietsen die vervolgens in beweging kwam en langzaamaan de helling af reed.
Vader rende naar buiten en de eerste de beste kreeg een ongelooflijke lel met die mattenklopper, ik dus. Vader was behoorlijk hardhandig en kende weinig ruimte en tijd voor aandacht aan zijn kroost. Hij moest vroeg op, had dikke benen en voeten en altijd hoofdpijn. Dus wij moesten vader met rust laten want dat had hij nodig. Moeder ving alle aandacht voor ons op en omringde dat met alle liefde.
Zij hield vader uit de wind en offerde zich altijd op als wij weer om aandacht vroegen. Dat ook zijn voor mij zeer duidelijke herinnering uit mijn eerste jaren, de norse hardhandige vader en de liefdevolle moeder. Daar is eigenlijk nooit iets aan verandert ook niet toen wij opgroeiden en volwassen werden. Vader had zelden tijd en aandacht voor jou en was, als volleerd egoïst, altijd met zijn kanaries, duiven en later de tuin bezig. Daar moest alles voor wijken en de kinderen waren hinderen, overeenkomstig vader Cats. Die koekoeksklok was een grote bezienswaardigheid in ons huis. Boven aan de trap, naar de eerste verdieping, hing die plotseling.
Hij zou kapot zijn geweest en na een lange herstelperiode kwam die koekoek plotseling tevoorschijn bij het slaan, of beter gezegd, het zingen van het halve en hele uur. Prachtig vonden wij dat en verzamelden ons onder aan de trap als het weer zo ver was. Dan stonden wij onder die mooie, lieflijke hertjes van van Megeren die tegenover de koekoeksklok aan de overzijde hing. Dat schilderij was een echte natuurlijk en die koekoek, zo maar uit een klok die ook nog koekoekte, was een grote bijzonderheid die je zelden tegen kwam, zo was dat in mijn herinnering.
Wij groeiden op in een groot huis en zeker als klein kind was dat immens groot. Beneden aan de voorzijde van de straat was de winkel en daarachter, via de schuifdeuren, kwam je in de achterkamer waarna een serre die op een kleine binnenplaats uitkwam. Via de winkel kon je ook naar de zijgang die weer uitkwam in onze keuken vanwaar je ook in die binnenplaats keek. Daarachter kwam de bakkerij met de kelder en een grote zolder met opslag ruimte. Achter de bakkerij waren nog twee schuren en een grote binnenplaats waarmee je, via het zwarte paadje, op een zijstraat uitkwam. Dat was nog maar de begane grond. Via de trap kwam je op een overloop in de grote slaapkamer van vader en moeder met aangrenzend de badkamer. Vanuit deze slaapkamer kwam je op een platje waar moeder de was ophing en kon je, via een raam, op de zolder komen boven de bakkerij. Op dezelfde etage was ook nog een grote, zogenaamde, voorkamer waar een zwarte piano stond. Die voorkamer gaf een mooi uitzicht op de drukke straat aan de voorzijde en was precies boven de winkel. Dan kon je ook via de overloop met de trap naar de derde etage met nog vier slaapkamers en een open ruimte met grote kasten. Daar was het dat ik als kleine priester in spé de mis op droeg. Een commode deed dienst als altaar waar ik dan heel plechtig voorging in de liturgie. In de bakkerij hadden wij zogenaamd eetbaar papier dat gebruikt werd als ondergrond van bijvoorbeeld bitterkoekjes. Heerlijk om zo’n vel papier te pakken en lekker op te eten. Hiervan knipte ik dan de hosties die ik plechtig uitreikte aan mijn broers en zussen tijdens de mis. Natuurlijk was ik altijd degene die de mis opdroeg want ik was, als misdienaar en koorknaap, daarvoor de meest geschikte en deed dit natuurlijk met grote kennis van zaken. Het was overigens ook geen enkele discussie, ik was het heilig boontje.
De kleuterschool staat mij ook nog helder voor de geest. Mijn grotere zus en twee broers waren daar natuurlijk al geweest en ook ik wilde wel naar school.
Moeder bracht mij weg en dat werd natuurlijk nog een hele huilbui. Ik hing altijd al aan haar rokken en ben ook later altijd het moederskindje gebleven. De kleuterschool was heel dichtbij maar zonder moeder was dat toch verdraait moeilijk. Op die kleuterschool keken wij, achter hekwerk, naar de kinderen op de naastgelegen grote school. Dat was natuurlijk het echte werk, wij werden slechts beziggehouden met spelletjes, huppelen en dansen en meer van dat kinderachtige gedoe. Natuurlijk wisten mijn oudere zus en broers mij fijntjes duidelijk te maken dat ik nog maar een kleine snotneus was en nog heel veel moest leren.
Ik vermoed dat ik 3 of 4 jaar zal zijn geweest dat ik zeer onder de indruk was van al die vogels bij ons boven de bakkerij. Daar zaten tientallen duiven in ontelbare hokjes en die beesten maakten nog veel meer kabaal als die koekoek in de klok boven aan de trap. Het stonk er geweldig en dat gefladder van die beesten om je hoofd was indrukwekkend. Later, toen ik meer bij zinnen was, moesten wij dat grote hok inclusief al die kleine hokjes schoonmaken en die stinktroep in een grote bak doen.
Het katholieke geloof was uiteindelijk toch de meest dominante en cruciale rode draad in mijn jonge bestaan. Dat was ons dagelijkse ritueel en altijd terugkerend patroon; bidden. Met gevouwen handen en gesloten ogen voor de stoelen in de kamer met onze knieën op die ruwe kokosbekleding en de afdrukken daarvan voel ik nog. Dan werden er allerlei litanieën gebeden waarvan mij de betekenis geheel ontging maar wij dreunden maar door. Ojee als je dan even de ogen open deed dan kreeg je een lel van vader of moest je voor straf daarna nog enkele malen Weesgegroetjes of Onze Vaders bidden. Natuurlijk met gesloten ogen want anders kon je gewoon weer opnieuw beginnen.
Maar ook als we gingen slapen dan lagen we op de knieën voor onze bedden en baden wij de sterren van de hemel. Het geloof werd ons van kinds af aan met de paplepel in gegeven. Net zoals die havermoutpap iedere morgen waarbij moeder ook nog enkele druppels levertraan in de pap deed. Ik was weer bijzonder en had al heel jong bloedarmoede waarvoor ik dan ook nog eens enkele staalpillen in de pap kreeg. Dat scheen allemaal niet goed genoeg te helpen en ging ik ’s zomers naar een bevriende boer in een nabijgelegen dorp om aan te sterken. Dat weet ik nog heel goed hoe ik daar in zo’n klein blauw overalletje op klompen rondliep in die stinkboel met die grote beesten en nog veel meer stront waar de duiven van vader bij verbleekten. Ook die wc achterin de schuur waar je op moest klimmen om je behoefte te doen staat mij nog helder voor de geest. Een deksel moest je eerst van die kakdoos verwijderen en oppassen niet stijl achterover te slaan van de lucht die daaruit op steeg. Daar durfde ik nauwelijks op te gaan zitten bang om gebeten te worden door al het ongedierte dat daar ongetwijfeld allemaal in zat. Dat was geen feest terwijl ik er juist van op zou moeten knappen. De mensen zelf waren alleraardigst en hadden het beste met mij voor.
Ik mocht mee op de tractor naar het land of op de bok met paard en wagen, dat was geweldig en leek je net een echte boerenknecht. Achter de koeien aan om ze naar de stal te krijgen of op de knieën in het zand aardappels rooien. Grote suikerbieten inladen die op een hoop werden gegooid bij de boerderij. En niet te vergeten die stinkende koeienvlaaien in de wei met dikke zwarte vliegen daarop.
Kleine zwaluwen die nestjes bouwden onder de dakgoot en aan en af vlogen, dat kenden wij in de stad natuurlijk niet. De spinnen, muizen en nog veel meer eng ongedierte, waar ik nog nooit mee in aanraking was geweest, krioelden om mij heen. Grote plakken roggebrood met spek kreeg ik iedere dag voorgeschoteld en natuurlijk weer die onvermijdelijke havermout inclusief de levertraan en staalpillen.
Tijdens een donderend onweer werd ik ’s nachts opgeschrikt en stond de boerin al naast mijn bed en werd ik in mijn pyjama naar de grote kamer gebracht. Daar lagen de boer en een knecht al op hun knieën voor de stoelen bij een Mariabeeld met een flikkerend lichtje ervoor en baden zij hardop. En toen gebeurde het; een grote vuurbal ontplofte in de gang waardoor alle deuren open sloegen en de stoelen omvielen. Een ongelooflijke knal alsof alles uit elkaar zou spatten. Dat beeld ben ik nooit vergeten en ik was doodsbang. Die godvruchtige boerenmensen die niet wisten hoe hard ze nog moesten bidden om erger te voorkomen. Het was een ongekend gedonder en gebliksem. Dit was echt serieus onweer zoals ik dat nooit meer heb meegemaakt. Enkele dagen later werd mij duidelijk hoe dat heeft kunnen gebeuren. Het was natuurlijk wel een onweer met wat bliksem en regen maar die bliksem was op de stroomdraden geslagen rondom het weiland. Die bliksem ontrolde zich als een bol over de stroomdraden en kwam zo het huis binnen en ontplofte in de gang met alle gevolgen van dien. Als klein gelovig mensje maakte dat een onuitwisbare indruk op mij. Vele jaren later heeft moeder mij op een voor haar buitengewoon triest moment eens gezegd: “Mijn jongen, het zal de straf van God wel zijn”. Zo voelde dat voor mij toen op de boerderij waar plotseling de hel los brak.
Ons was altijd nadrukkelijk voorgehouden dat er twee soorten zonden bestonden, de zogenaamde kleine en grote zonden. Waar de scheidslijn precies lag wisten wij niet. Wel werd ons verteld dat je bij een grote zonde een zwart vlekje op het voorhoofd zou krijgen. Ik heb, als kind, ontelbaar vaak voor de spiegel gestaan om te zien of ik nu een grote zonde had begaan. Als de dood was ik als ik bijvoorbeeld niet naar de kerk was geweest dat mij iets zou overkomen. Dat zou dan zeker een doodzonde zijn geweest en wachtte mij nog slechts de hel waarin ik zou belanden als ik plotseling kwam te sterven. Doodsbang was ik vaak en bad in stilte tot de Here Jezus dat ik het heus weer goed zou maken. Maar toen op de boerderij dacht ik dat dit wel het einde der tijden zou zijn. Kijkend naar die grote mensen moest dat ook wel want die waren echt in paniek. We werden allen collectief gestraft en moesten daarvoor boeten.
Hoe zou het thuis zijn met mijn vader en moeder, broers en zussen vroeg ik mij af. Die lagen natuurlijk ook allemaal op de knieën voor de stoelen biddend tot God dat dit toch maar goed zou mogen aflopen.
Toen ik weer thuis was bleek dat zij helemaal geen onweer, bliksem en regen hadden gehad. Het was gewoon een lokale strafexpeditie van God waarvan ik niet begreep waar deze vriendelijke en Godvrezende mensen het aan zouden hebben verdient.
Zij waren alleraardigst voor mij en deden beslist hun best om het mij naar het zin te maken. Maar zo’n mager bleek stadsjongetje was dat buitenleven totaal niet gewend en al zeker niet met alle bijkomende geuren en beesten van dien. Of het mij veel heeft geholpen weet ik zelf niet, wel dat ik daar het volgende jaar weer naar toe werd gestuurd dus kennelijk was het nodig. “De pier”, was mijn bijnaam vanwege de witte kleur op mijn gezicht en daar werd ik ook veelvuldig mee gepest door mijn broers en zussen. Uiteindelijk zal alle havermout inclusief die vreselijke levertraan en de duizenden staalpillen vruchten hebben afgeworpen want het hield een keer op.
Bij mijn dagelijkse gang door de winkel of bakkerij pakte ik wel een snoepje, stukje chocola of gebak. Natuurlijk stond ik daarna weer voor de spiegel naar mijn voorhoofd te kijken maar dat liep, tot mijn grote opluchting, altijd goed af ondanks de angst die ik dan had.
In de kelder van onze bakkerij werkte een knecht die bij onze inventaris hoorde.
Hij bleek al langer bij ons te zijn dan moeder en met hem hadden wij allemaal een hele goede band. Zo goed zelfs dat hij wel de handtekening van vader onder mijn strafwerk zette als dat weer eens nodig was. Zelf was ik daar niet erg handig in want toen ik dat eens probeerde door met grote blokletters de naam van vader onder het strafwerk te schrijven viel ik natuurlijk ongenadig door de mand.
Veelvuldig was ik bij hem in de kelder te vinden en hij wist je ook altijd weer wat lekkers toe te stoppen. Ik groeide met hem op en kon altijd bij hem terecht als vader weer eens uit zijn slof was geschoten.
De hobby’s van vader waren voor ons een kwelling. Op de zolder boven de bakkerij waren de hokken voor de duiven en achter op de binnenplaats bij de schuren was een groot groen hok waar alle kanaries in zaten. In mijn beleving waren er honderden en die deden ook allemaal hun behoefte in die hokken en daar waren wij dus voor. Dan werd je vriendelijk en dringend verzocht om de hokken schoon te schrapen met een paletmes en die stront dan in emmers te doen. Een stinkboel van jewelste terwijl al die fladderaars ondertussen doorgingen met hun behoefte te doen. Op de binnenplaats mochten we ook niet spelen want dat was verstorend voor alle vogels. In de weekenden was het meestal raak, dan werden de duiven gelost in Frankrijk of een ander ver oord en die zouden dan weer terugverwacht worden zo midden op de zondagmiddag. Vader stond dan met een blikje te rammelen waar duivenvoer in zat en al fluitend probeerde hij de duiven de hokken in te krijgen.
Wij mochten uiteraard niet in de buurt komen want dat zou de duiven afschrikken. Als eindelijk een duif inging op het lokgeroep van vader en besloot het hok in te gaan was het alle hens aan dek want dan moest zo snel mogelijk de ring aan zijn poot in een kastje worden gedaan om de tijd van binnenkomst te registreren.
Alle binnengekomen duiven werden op deze wijze geklokt en daarna ging het in vliegende vaart naar de Duivenvereniging de Gevleugelde Vrienden. Daar was het weer afwachten wiens duif als eerste vanuit Bordeaux die zondag was geland, een gedoe van jewelste waarbij wij vaders opwinding echt niet konden delen. Vader was meestal bij zijn duiven en kanaries te vinden en daar moest veel voor wijken want er was altijd wel iets met een van de vogels aan de hand. Hij had meer oog voor zijn hobby’s dan voor zijn kroost. Hun interesses en hobby’s gingen volkomen aan hem voorbij, nooit eens mee naar de voetbal, zwemles, naar school of iets dergelijks dat was altijd moeders pakkie an. Moeder wierp zich als de beminnelijke scheidsrechter op als wij ons beklag bij haar deden. Vader was veel te druk en die moesten wij ontzien maar wij dachten daar toen al anders over.
Hij was een tirannieke dwingeland die heel streng voor ons was, zijn wil was wet en daar moest alles voor wijken.
Een vriendelijk woord hoorden wij zelden of een bemoedigend klopje op onze schouder, moeder maakte dat allemaal ruimschoots goed. Zij stelde alles in dienst van vader en cijferde zich zelf volkomen weg.
Nooit hoorde je haar klagen terwijl vader weer met de benen om hoog lag met de handen op zijn voorhoofd. Hij had hoofdpijn en last van zijn benen en lag dan pontificaal in het midden van de kamer op zijn speciale stoel met uitklap beenruimte. Hij vroeg en kreeg alle aandacht en moeder hoorde je nooit. Zo dominant als vader was zo rustig was moeder op de achtergrond.
De hemel en de hel bleven toch wel erg lang hele dominante fenomenen in mijn jeugdige bestaan. Het was natuurlijk ook niet niks als ik mij probeerde voor te stellen wat dat betekende en hoe dat er uit zou zien. De hel was voor mij niet veel anders dan een gigantische brandhaard waar duivels met hoornen op hun hoofd en een drietand in de hand iedereen opporden en tot de orde riepen. Daar wilde je echt niet terecht komen. Dan was er nog zo iets als het vagevuur. Een milde vorm van de hel waar je tijdelijk verbleef voor de gemaakte zonden die nog geen aanleiding gaven om voor eeuwig in de hel te branden. Het grote verschil tussen een dagelijkse zonde en een doodzonde. Even pijn leiden of eeuwig branden terwijl jouw brave ouders en familieleden in de hemel zaten te genieten van al die mooie muziek, de engelen en natuurlijk de Goddelijke familie en dat voor eeuwig. Het verschil tussen goed en kwaad was helder, gewoon de hemel of de hel. De keuze daartussen was natuurlijk niet zo moeilijk maar als klein kind was dat een buitengewoon bedreigende en beangstigende situatie. Gelukkig bestond er ook nog zoiets als een soort spaarsysteem waarmee je punten kon verdienen dat als wisselgeld kon worden gebruikt in het geval je weer in de fout was gegaan. Eigenlijk het afkopen van gemaakte zonden. Dat waren de ‘aflaten’ waar ik als redelijk heilig boontje er ongelooflijk veel van had verworven. Tenminste daar ging ik wel vanuit als ik weer zeer aandachtig de heilige mis had gevolgd, meegezongen, ter communie was geweest, al mijn zonden had opgebiecht en bijvoorbeeld lief voor mijn ouders, broers en zussen was geweest. Dan troostte ik mij in gedachten dat die ongehoorzaamheid of gemaakte zonden weer waren weggestreept tegen één of meerdere aflaten.
Hoe dat systeem functioneerde is mij nooit duidelijk geworden en wie de boekhouding bijhield al evenmin. Maar helemaal gerust was ik er ook niet altijd op. Ik deed mijn best en spiegelde mij maar aan mijn moeder die een rotsvast geloof had in de Here Jesus en alles wat met het Rooms-katholieke geloof te maken had.
Als mijn moeder daar zo van overtuigd was dan moest het wel goed zijn.
In mijn ogen was zij de goedheid zelve en haar voorbeeld volgen betekende een zekere plaats in de hemel. Daarnaast had ik een groot en tastbare steun aan mijn indrukwekkende kerkboek, mijn missaal. Dat was mijn bijbel met een bidprentje van een pater die ooit heilig was verklaard en daarin zat een stukje stof verwerkt van zijn pij als een relikwie, ik koesterde dit als een heiligdom. Verder had mijn missaal kleurige linten als bladwijzers die mijn leidraad waren in de liturgie en de Gregoriaanse muziek. Centimeters dik en goud op snee, met mijn missaal hoorde ik er helemaal bij.
In onze buurt was alles aanwezig om heerlijk te spelen en te ravotten. In de vele gangetjes kon je prachtig verstoppertje spelen. Op het schoolplein werd altijd gevoetbald en in de zijstraatjes speelden we putje-voetbal. De ene partij tegen de andere waarbij de waterputten in de stoeprand als goal dienst deden. Zandkapertje was ook een geliefkoosd spel maar daar had je wel een scherp mesje voor nodig.
Zelf had ik altijd een zakmesje op zak want zandkapertje vond ik prachtig.
In het zand zette je een gebied af dat het strijdperk was en gooide je met je mesje in het zand en trok direct een lijn naar de zijkant want dat stuk had je dan verovert. Zo gooide je net zo lang tot het afgebakende terrein was verovert op jouw tegenstander. Steltenlopen of op kleine conservenblikjes waar gaatjes in waren gemaakt zodat je daar een touw doorheen kon trekken. Met je handen hield je het touw vast en liep dan op de blikjes rond. Grenzend aan onze achterplaats was de tuin van de drogist uit de buurt waar we veelvuldig de appels, peren en pruimen uit zijn tuin pakten tot grote ergernis van zijn vrouw. Onze buren hadden een smederij en winkel met wasmachines en kookgerei.
Daarachter stond nog een schuilkelder uit de oorlog waar zij opslagruimte van hadden gemaakt met veel oude kachels en kooktoestellen. Voor ons een ideale speelplaats om daar vader en moedertje te spelen. De kachels gebruikten wij om er het eten op te bereiden en verder speelden wij natuurlijk ook bovenop deze enorme zandbult, de schuilkelder. Bij de drogist achter woonde een echtpaar met twee zoons in een schuur. Een van deze jongens liep een beetje mank en met hem hadden wij altijd ruzie. Wij speelden ook nooit met hen en vonden ze enigszins asociaal. Toen hij ons weer eens aan het pesten was kwam ik met een ronde halve maan schoffel in mijn hand van de schuilkelder afgerend en plantte die bij hem boven in zijn hoofd. Het resultaat was er naar. Hij met een hevig bloedende hoofdwond naar het ziekenhuis en ik, even later, met de politie en mijn vader mee naar het politiebureau. In een zeer onbezonnen daad had ik dat gedaan en was daar zelf hevig van geschrokken. Dit had ik nou ook weer niet bedoelt en wie had dat gedacht van het heilige boontje. Ik was banger voor mijn vader dan voor de politie want ik maakte uiteraard weer flink kennis met zijn schoenen inclusief steunzolen en zijn grote handen. Enkele weken vroeg naar bed en zeker geen tijd voor buitenspelen. De schrik werd nog groter toen ik diezelfde middag de buurjongen met een indrukwekkend hoofdverband terug zag. Met lood in mijn schoenen moest ik naar hem toe om mijn excuses aan te bieden.
Ik geloof niet dat ik mij ooit heb afgevraagd of ik was voorbestemd tot het priesterschap. Wel was ik duidelijk de heiligste thuis. Ik had het dikste kerkboek en was al jong misdienaar en koorknaap en ben dat ook 7 jaren gebleven.
In de sacristie, een aparte werkruimte in de kerk, verbleef ik graag en voelde mij dan een dienaar van God. De sacristie was verboden terrein voor de andere kerkgangers. Alleen de koster, de priester en de misdienaars kwamen daar.
Ten slotte was ik daarmee, als hulpje van de priester, ook onderdeel van de liturgie. Dat was ook niet voor iedereen weggelegd en het maakte je enigszins belangrijk met een lange zwarte toog met al die vele kleine zwarte knoopjes en daaroverheen de superplie, een witte overgooier.
Je was ook niet zomaar misdienaar, daar werd je voor gevraagd, uitgekozen en gewogen. Het feit dat mijn familie al lang als goed gelovig en zeer belijdend bekend stond hielp daar zeker bij. Vader was jarenlang collectant in de kerk. Met een lange stok en aan het uiteinde een zwart glimmend zakje waarin men geld stopte ging hij van rij tot rij door de kerk. Zo ook had de familie vooraan in de kerk bijna een gehele rij tot haar beschikking waar wij allen in konden aanschuiven. Dat waren onze vaste plaatsen, helemaal vooraan, zodat iedereen goed kon zien dat de familie een vooraanstaande positie in de kerk had. Dat daar voor werd betaald begreep ik pas veel later.
De koster was de vaste volwassen hulp van de priester en hielp hem met het aankleden voor de mis. Alle prachtige kledij lag dan keurig opgevouwen klaar.
Hij was eigenlijk de spil in alle kerkdiensten en regelde alles voor zowel de pastoor, de kapelaans maar ook voor de gelovige kerkgangers. Een belangrijke functie en er gebeurde niets zonder dat hij daarbij betrokken was.
Het was altijd een stille, plechtige voorbereiding in de sacristie totdat wij, de priester en de misdienaar, de kerk betraden op weg naar het altaar. Het kon ook gebeuren dat er een uitgebreide Heilige mis werd opgedragen; een mis met bijvoorbeeld drie Heren en meerdere misdienaars. Dat was dan een plechtigheid van jewelste en liep ik met een wierookvat rond te zwaaien. Als misdienaar speelde je een ondersteunende rol. Je was de aangever van liturgische voorwerpen aan de priester zoals de kelken, hostieschalen, de miswijn en het water. Bij de handwassing was ik behulpzaam maar het belangrijkste moment voor mij was toch bij het uitreiken van de communie.
Dan gaf ik de ciborie, een gouden kelk met een deksel, met daarin de geconsacreerde hosties aan de priester waarbij ik, heel eerbiedig, een kniebuiging maakte voor het tabernakel en een hoofdbuiging richting de ciborie. De priester legde dan een hostie op de tong van de gelovigen waarbij ik dan een communiepateen, een gouden schaaltje, onder de kin van de gelovige hield. Als alle gelovigen ter communie waren geweest hielp ik de priester weer met het schoonmaken van de kelk en het wassen van zijn handen.
Niet onbelangrijk was overigens dat alle gelovigen die ter communie gingen minstens één uur van te voren niet mochten hebben gegeten of gedronken.
Mocht je je ervan bewust zijn een doodzonde te hebben misdaan dan diende je vooraf het sacrament van de biecht te hebben ontvangen want alleen gedoopte gelovigen mochten de communie ontvangen. Dat waren strikte regels waaraan ieder gelovige zich diende te houden. Zelf mocht ik nog niet ter communie daarvoor was ik te jong. Pas na je zevende ontving je de Eerste Heilige Communie en kon je deelnemen aan de consecratie.
In een volle kerk voelde ik alle ogen op mij gericht en deed ik natuurlijk heel devoot mijn stinkende best er iets moois van te maken. Het kwam ook wel eens voor dat er plotseling een priester op bezoek kwam die nog niet de Heilige mis had opgedragen zoals dat iedere dag diende te gebeuren dan werd ik meestal van school gehaald om als misdienaar aan te treden. Het bezorgde je een bijzondere positie en voelde het vaak wel als uitverkoren. De kerk en de school zaten letterlijk en figuurlijk aan elkaar vastgegroeid. Onze koster was een alleenstaande man en hij beschouwde zijn werk als zijn levenswerk en deed dat met grote overgave. Ik ben er van overtuigd dat hij het liefst zelf priester zou zijn geweest maar dat was er kennelijk niet van gekomen. Later heb ik wel gedacht dat hij homoseksueel was doch daar heb ik als misdienaar nooit iets van gemerkt laat staan dat ik toen al zou hebben geweten wat dat was.
Het was alles katholiek dat de klok sloeg iedereen in onze omgeving was katholiek. De buren, de klanten, de leveranciers, familie, kennissen en vrienden. Het was ook een van de eerste dingen waarnaar werd geïnformeerd als je met een vriendje thuis kwam of ergens iets had gekocht. Je ging alleen met katholieken om en haalde het niet in je hoofd om daaraan iets te veranderen. Zo kwam je niet of nauwelijks met een niet katholiek in aanraking. Niet dat ze slecht waren maar in ieder geval veel minder dan wij want wij waren katholiek en dat was het enige, echte geloof.
In huize Bruyns was ik de enige misdienaar en koorknaap. Ja, ik was veel meer met de kerk, de liturgie en alle daarbij behorende gebruiken bezig dan mijn broers en zussen. Zij gingen ook niet samen met mij naar de kerk om te biechten. Voor hen was dat veel meer een verplichte exercitie omdat het moest van vader of moeder.
Ik maakte daar juist veel werk van en zat wel 10 of 15 minuten in de biechtstoel om uitgebreid te verhalen wat ik zoal had misdaan. Als ik dan de biechtstoel uitkwam zag ik wel de boze blikken van andere kerkgangers die zaten te wachten op hun beurt. Maar het gaf mij veel verlichting want ik liep waarschijnlijk al weer een tijdje rond met vermeende doodzonden en andere ballast die ik dan van mij afschudde in een lange biecht. Zelfs van de penitentie, de straf die mij was opgelegd, maakte ik veel werk. Alle Weesgegroetjes en rozenkransen bad ik van mij af en als extra boetedoening liep ik dan nog vaak de kruisweg. Alle veertien staties waren als grote schilderijen langs de wanden van de kerk opgehangen. Indrukwekkende en afschrikwekkende afbeeldingen waarin alle ellende, pijn en leed van de kruisweg van Jezus Christus op beeldende wijze stond beschilderd. Ik was daar zeer van onder de indruk en bad de stukken ervan af. Mijn moeder was ongetwijfeld mijn grote voorbeeld als het ging om de geloofsbelijdenis. Zij was zo diep gelovig met een rotsvast vertrouwen in de kerk en alles wat daar mee te maken had.
Haar zien bidden en horen praten over de heilige familie: Jezus, Maria en Jozef die waren haar lichtend voorbeeld. Dat was ook hetgeen zij ons altijd voorhield, het geloof in de kerk en onverbiddelijk gehoorzamen aan wat de kerk ons voorschreef. Als jouw grote voorbeeld, mijn lieve moeder, dat zegt dan is het ook niet anders.
Het was dus bidden wat de klok sloeg, voor het eten en na het eten. Op de knieën voor het bed en bidden bij het slapen gaan, we wisten niet beter.
Iedere zondagmorgen naar de kerk en ’s middags naar het lof, het werd je met de paplepel ingegeven net zoals alle havermout en bijbehorende druppels en pillen. Dan hadden we ook nog alle feestdagen van vele heiligen die de RK kerk kent en daarbij nog eens veel momenten van bezinning en geloof. Je krijgt het allemaal voorgeschoteld en van enige twijfel en onwil was totaal geen sprake. Ik ging er gewoon in mee en het was voor mij een normale gang, aan de hand van moeder, naar de kerk waar het toen een drukte van belang was. Ook dat heeft grote indruk op mij gemaakt, al die mensen die net als moeder, zich geheel overgaven aan het geloof en de rituelen van de kerk.
Op zondagmorgen zag je dan een grote stoet van mensen op weg naar de kerk.
Hele families, in colonne, en allemaal stemmig gekleed op z’n zondags. Daar hoorde ik bij en maakte al heel jong carrière als misdienaar en koorknaap. Dat was heel wat en het maakte mij engszins bijzonder en zelfs belangrijk. De eerste Heilige communie was zeker zo’n belangrijke mijlpaal. Dan mocht je voor de allereerste keer ter communie. Vader, moeder en mijn oudste zus en twee broers mochten natuurlijk al lang terwijl ik dat met lede ogen moest aanzien. Maar daar was dan eindelijk het grote moment: Theo’s eerste Heilige communie op mijn zevende levensjaar.
Ik kreeg de hostie, het lichaam van Christus, op de tong gelegd door de priester die de mis deed. Als misdienaar was ik daar zelf al vaak bij behulpzaam geweest maar nu mocht ik dan zelf, voor het eerst, ter communie. Dat was een magisch moment want nu pas nam ik deel aan de Eucharistie en mocht ik mee eten en drinken.
Let wel, het lichaam en bloed van Jezus Christus.
Dat moment in de Heilige mis was de Consecratie, het moment waarop het ongedesemde brood en de wijn worden verandert in het Lichaam en Bloed van Christus. De priester neemt dan eerst het brood, de hostie, en zegt: ”Want dit is mijn Lichaam”. Dan buigt hij zich over de kelk met de wijn en zegt: “Want dit is de Kelk van mijn Bloed, van het Nieuwe- en Altijddurend Verbond dat voor u en velen wordt vergoten tot vergeving van de zonden”. Tijdens deze consecratie knielen alle gelovigen ten teken van eerbied en aanbidding.
Wat dat voor mij betekende was heel indringend en bijzonder. Zeker in de wetenschap dat ik nu het lichaam en bloed van de schepper nuttigde. Hoe dat toch kon vroeg ik mij toen al af want met z’n allen hadden we dat dan toch snel op.
Het was denkbeeldig, zo werd aan mij verteld. De hostie stond symbool voor het lichaam van Christus en dat kleine slokje wijn was dan zijn bloed. Ik geloofde het gewoon en nam het heel devoot met mijn ogen dicht en wist dat ik er nu zeker bij hoorde. Ik liep dan met de handen gevouwen terug naar de bank en bad nog heel lang en het vervulde mij van het bijzondere gevoel dat ik als katholiek jongetje het maar getroffen had ten opzichte van de ongelovige vriendjes in mijn omgeving.
Bij zo’n gezegend moment, als de eerste heilige communie, was het feest in huis en kwamen de buren, ooms en tantes op bezoek en werd ik geknuffeld als nieuwe loot aan de katholieke stam. Dat ik grote problemen had met die hostie durfde ik niet te vertellen want hoe moest je die opeten. Er op bijten was natuurlijk helemaal geen optie. Bijten op jouw schepper, Jezus Christus, hoe haalde je het in je hoofd.
Maar de hostie was best groot en hoe kreeg ik die zonder te beschadigen naar binnen. Die hostie bleek vervolgens zacht te worden in de mond zoals dat eetbare papier waarop ik al zo vaak had geoefend. Het werd zacht en zo kon ik de hostie makkelijk doorslikken zonder te beschadigen. Maar ook met het bloed kwam ik niet goed uit de voeten. Wijn was alcohol en dat behoorden wij nog helemaal niet te drinken en overigens was het niet lekker. Hoe kon dat nu met het bloed van Jezus Christus, dat smaakte vies en wilde je eigenlijk niet doorslikken. Maar was er iets heiligers als het lichaam en bloed van Jezus Christus? Nee toch? Dat was zo heilig dat alleen de priester dat mocht geven en altijd eerst nog gezegend werd.
Zowel het bloed als het lichaam, de hosties, werden met geklingel van belletjes gegeven en na de consecratie, weer opgeborgen in het tabernakel. Achter slot en grendel van een prachtig uitziende brandkast met een gouden deur. Ook werd de hostie vooraf eerst in een schitterende gouden monstrans omhoog gehouden onder het uitspreken van Latijnse teksten alvorens iedereen er eentje kreeg. Dan werd er driemaal op een gong geslagen, een belangrijke plechtigheid dat als hoogtepunt gold in de Heilige mis. Het ging er allemaal in als koek en iedereen deed heel gelovig mee.
Ik was mij altijd bewust van het feit dat ik daarbij een belangrijke rol vervulde.
Als misdienaar was ik op het altaar aanwezig, gaf de kelk aan, sloeg driemaal op de gong, zwaaide met het wierookvat en stond naast de priester of knielde samen met hem voor het altaar en voor alle mensen die in de kerk aanwezig waren.
Dan deed je toch iets van belang waar alle anderen naar keken en dat niet mochten.
Bij ons thuis kwamen altijd al paters van een klooster uit de buurt, klooster Sion.
Op de weg naar Raalte lag dat in de bossen van de Kranenkamp verscholen.
Met mijn ouders gingen wij daar vaak op bezoek en ik weet nog heel goed dat we daar met Kerstmis de nachtmis bezochten. Heel indrukwekkend vond ik dat.
Daar waren ook paters en broeders bij die niet mochten praten. Dat was een gelofte die ze hadden afgelegd om, na de intreding in dit klooster, nooit meer te zullen praten. De grote kapel had een schitterende akoestiek. De paters en broeders zaten in nisjes tegenover elkaar aan weerszijden van de kapel. Als er dan gezongen werd vulde de kapel zich met de prachtige Gregoriaanse zang die ik al kon mee zingen.
Ongelooflijk veel indruk maakte dat allemaal op mij en ik kreeg een bijzondere band met deze omgeving. Bij een van deze paters ging ik vaak op bezoek en vond het fantastisch om rond te dwalen door de binnentuin, de gangen van het klooster, de kapel en ook de broeders en paters bezig te zien op hun landerijen. Het was daar doodstil en iedereen deed gewoon zijn werk. Zij hadden ook kleine kamers waar je als gelovige terecht kon om enkele dagen op dit klooster te vertoeven. Dan ging je in retraite zoals dat werd genoemd en kwam je tot bezinning en liet de wereld dan enkele dagen achter je. Ik vond het geweldig daar te vertoeven en denk ook daar een belangrijke inspiratie te hebben gekregen voor mijn latere roeping.
Met mijn broers en vriendjes fietsen wij daar vaak naar toe en speelden in de bossen rondom klooster Sion. Op Hemelvaartsdag zijn wij daar zelfs een keer naar toe gelopen. Een hele onderneming voor zulke kleintjes om zo’n 10 kilometer lopend af te leggen. Door onze vriendschappelijke band met de paters uit dit klooster hadden wij ook altijd toegang daartoe en werden wij op Hemelvaartsdag verwend met heerlijke boterhammen en soep.
Een bijzondere katholieke feestdag dat gevierd werd door in alle vroegte te gaan fietsen of zoals wij deden een lange wandeling te maken.
Ik kende aardig de weg binnen klooster Sion en voelde mij daar zeer op mijn gemak. De opoffering van deze kloosterlingen om zich helemaal terug te trekken uit de maatschappij en zich geheel te wijden aan het geloof en niet meer te praten was heel bijzonder en maakte grote indruk op mij.
Hun onvoorwaardelijke geloof en toewijding was op alle mogelijke manieren zichtbaar of zij nu aan het werk waren op het land, in de keuken, de tuin of bij het rondleiden van bezoekers. Het was altijd met een vriendelijke en vrome houding dat veel respect af dwong. Zij hadden ook behoorlijke faam verworven met het inbinden van boeken en deden dat voor diverse grote instellingen en bedrijven. Jaren later zou ik zelf nog bij ze aankloppen voor het inbinden van mijn eigen scripties.
Wij kregen niet alleen een streng katholieke opvoeding maar ook een hele preutse.
Ik heb mijn vader en moeder nooit naakt gezien of in enige intimiteit met elkaar.
De deuren van de badkamer en slaapkamer waren op slot. Ons werd ook gezegd dat je bij het wassen niet te veel of te lang in je eigen schaamstreek moest boenen.
Dat was helemaal niet nodig en zou alleen maar problemen kunnen veroorzaken.
Ik had geen idee wat daarmee werd bedoelt. Mijn twee oudere broers en zus hadden daar kennelijk al wel iets meer van begrepen. “Of ik het paarse boekje al had gezien”?, vroegen zij mij wel. Daar zouden namelijk de geheimen van seks en voortplanting in worden uiteen gezet. Met hun oudere vriendjes waren die onderwerpen al vaker aan de orde geweest en zij wisten al waar Abraham de mosterd vandaan haalde. Voor mij geheel onbekende zaken en ik bleef vooralsnog ongewis over de inhoud van het paarse boekje. Toen dan moeder op een gegeven moment mij het ondertussen beroemde paarse boekje liet zien en vroeg of ik wist wat daarin werd behandelt schudde ik van ja alsof dat voor mij totaal geen geheimen bevatte. “Dus jij weet hoe de kindjes geboren worden”, vroeg moeder mij nogmaals en wederom liet ik blijken daar geheel van op de hoogte te zijn. “Dus jij hoeft het boekje niet meer te lezen”, vroeg moeder met enige opluchting in haar stem.
Nee, dat was absoluut niet nodig zei ik weer met grote stelligheid. Moeder zal ongetwijfeld een zucht van verlichting hebben geslaakt en borg het paarse boekje snel weer op in een lade van hun slaapkamer. Zij zal ook zeker niet uitgebreid een verhandeling hebben gegeven over de geslachtsdaad, de seksuele driften tussen man en vrouw of de opwindende aspecten daar verder van. Daar was zij zelf veel te preuts voor en overigens was praktisch alles dat met seks te maken had een vieze bezigheid en kinderen krijgen, anders gezegd kinderen maken, was iets hogers dat had alles met een goede geloofsovertuiging te maken. Kinderen krijgen was een godsbestemming en daar sprak je met veel respect over. Het paarse boekje heb ik nooit meer gezien en de broodnodige voorlichting ving ik op straat wel op.
’s Nachts op 31 januari 1953 was er plotseling die vreselijke watersnoodramp.
Het weer was bar en boos en in zeeland waren de dijken doorgebroken. De wereld stond stil en er werd nergens anders over gesproken dan over deze tragedie.
Als negenjarige kwam dat heftig aan en het was moeilijk voorstelbaar welk leed zich daar afspeelde. Wij zaten met zijn allen voor de radio en volgden het nieuws dat krakend tot ons kwam. Heel goed weet ik nog dat ik midden op de weg heb gestaan kijkend richting de binnenstad waar grote golven aan zouden komen. In mijn verbeelding zou heel Nederland onder water komen te staan en al dat water was nu in aantocht. Ik was niet van de straat weg te slaan en verwachte het aller ergste. Gelukkig liep het niet zo’n vaart en bleef deze ramp ons bespaard maar dit was een verschrikking van ongekende omvang. Honderden doden waren al gevallen en nog eens honderden waren vermist. Ik probeerde mij voor te stellen hoe vele families plotseling uit elkaar waren gerukt en dat je niet wist waar je ouders, broers en zussen waren gebleven. De volgende dag zagen wij de eerste beelden in de kranten staan en ook op de televisie, die nog maar pas drie jaar daarvoor zijn intrede had gedaan, liet de eerste beelden zien. Wij stonden met onze neuzen tegen de ruiten gedrukt bij de mensen die al een televisie hadden, het was niet te bevatten wat zich daar had afgespeeld. Het was een nationale rouw en er werden grote inzamelingen gehouden voor kleding, schoeisel en alles waar verder gebrek aan was voor al die arme mensen in Zeeland. Wij hadden het goed en het ontbrak ons eigenlijk aan niets dus gaven wij kleding die in de kasten lagen boven op de overloop bij onze slaapkamers.
Na mijn jeugdige indoctrinatie moet er een moment zijn gekomen waarop ik zelf heb aangegeven naar het seminarie te willen gaan.
Natuurlijk hebben mijn drie Heerooms hier ook een aardig steentje toe bijgedragen maar alle katholieke voorwerk had mij uiteraard al flink op weg geholpen. Ik was voorbestemd, zo werd dat genoemd, en mijn moeder was hier zeer verguld mee.
Een zoon van haar, de godvruchtigheid zelve, wilde priester worden. Iets mooiers en groters kon haar niet overkomen en dat was reden voor nog meer gebed en dankbaarheid om dit Godsgeschenk. Nu was het nog de vraag naar welk seminarie ik zou gaan. Eerst zes jaar naar het klein seminarie en daarna nog zes jaar naar het groot seminarie, een 12-jarige opleiding tot het priesterschap. Maar daar ging ik voor en voelde dat echt als een roeping. Mijn drie Heerooms waren van dezelfde congregatie, de congregatie van de paters van het Heilig Hart van Christus.
Dat betekende dat ik dan naar Helmond zou gaan naar het internaat Christus Koning. Met vader en moeder, en volgens mij was daar ook nog een van mijn Heerooms bij, zijn wij op bezoek gegaan naar Helmond. Dat een Bruyns in de voetsporen zou treden van deze drie Heerooms was natuurlijk bij familie en vrienden het gesprek van de dag.
Ook in onze parochie waar ik mij zowel als misdienaar en koorknaap al als voorbeeldige jongeling had gemanifesteerd werd mijn keus met grote instemming ontvangen. Zo vaak kwam het niet voor dat er iemand in de parochie de keuze tot het priesterschap kenbaar maakte. Ik was bijzonder en voelde mij ook als zodanig op 10-jarige leeftijd in de 5e klas van de lagere school.
Na uitvoerig familie beraad en overleg met de school en parochie werd besloten dat ik de zesde klas zou volgen bij een oom, hoofd van de school in de binnenstad.
Tevens zou hij mij beter kunnen begeleiden en helpen de stap te zetten van de lagere school naar het gymnasium want dat was de opleiding op het seminarie.
Latijn en Grieks waren dan de belangrijkste talen die ik mij eigen moest maken.
Ook dat was bijzonder in onze familie want een dergelijke klassieke opleiding was nieuw bij de Bruynsen. Naar oom Gerrit gaan betekende wel voor mij een geheel nieuwe omgeving en andere schoolkameraadjes om mij heen. Een klassenfoto van dat jaar maakt helemaal zichtbaar wie van hen was voorbestemd. Zo preuts en zo heilig, de roeping stond op mijn gezicht af te lezen. In die zesde klas bij mijn oom en louter vrome katholieke jongetjes kreeg ik wel een voorkeursbehandeling waar ik niet erg blij mee was. Zodra ik ook maar even uit de pas dreigde te lopen werd ik al gecorrigeerd of werd het met de mantel der liefde bedekt. Vlak bij deze school was ook een kerk, veel groter en imposanter dan waar ik als misdienaar en koorknaap gewend was te vertoeven. Mijn oom wist van mijn zangkwaliteiten en kennis van de liturgie dus werd ik ook altijd als voorbeeld naar voren gehaald om mijn kunsten te vertonen. Veel van mijn toenmalige klasgenootjes ken ik nog en ontmoet ze met enige regelmaat. Zij zijn evenwel onwetend van wat mijn keuze voor gevolgen heeft gekregen op mijn verdere leven.
Toen was het zover, de koffer was gepakt en het afscheid van mijn broers en zussen was heel emotioneel. Zelfs het personeel had moeite met mijn vertrek.
Buren en vriendjes deden mij uitgeleide en zo ging ik, voorbestemd tot een heilig ambt, met vader en moeder naar Helmond. Voor zover ik mij nog kan herinneren hadden mijn ouders een lijst gekregen van kleding en spullen die ik mee mocht nemen. Daar was in ieder geval mijn vertrouwde missaal bij en verder was het redelijk minimaal wat er in de koffer ging. Tijdens onze eerdere rondleiding op Christus Koning had ik wel gezien dat er slechts een kleine kast stond in mijn slaapvertrek op die grote slaapzaal. Dat waren allemaal aan elkaar gekoppelde chambrettes met dunne scheidingswandjes en een gordijn aan de voorzijde.
Daarin stond een bed met daarnaast een nachtkastje en een kleine klerenkast.
Een zoldering was er niet want je keek omhoog tegen de grote tl-bakken en daarboven de dakspanten. Voor de aankleding van de wanden waren ook richtlijnen opgesteld. Ruimte voor enige frivoliteit was beslist niet aanwezig. Ik had een foto meegenomen van mijn favoriete zanger Pat Boone maar kreeg geen toestemming die op te hangen. Daarvoor in de plaats kreeg ik een prent van de grot uit Lourdes, althans iets wat daar op leek. Achteraf bleek het een afbeelding te zijn van een replica van de Lourdes grot die was nagebouwd achter in de tuin van ons internaat.
Maria keek mij glimlachend aan vanuit de nis in deze grot. Het was een slaapvertrek en geen expositieruimte zo werd mij vriendelijk doch duidelijk te verstaan gegeven. Natuurlijk wist ik al wel dat mijn keuze voor het internaat inhield rekening te moeten houden met een andere omgeving en een ander regime dan ik thuis gewend was. Weg van de buitenwereld en in afzondering studeren en je voorbereiden op het priesterschap. De vertrouwde huiselijke sfeer, je broers en zussen, vriendjes en alles wat in het leven van een puber zo aangenaam was zou plaats gaan maken voor regelmaat en strakke dagindeling.
Of ik daar toen wel helemaal goed van doordrongen was vraag ik mij af.
Mijn drijfveer en dadendrang waren groter dan het overdenken van al die consequenties. Hoewel ik al een aardig woordje latijn meezong was dit wel een enorme stap, weg van moeder die altijd voor mij aanwezig was en nu moest ik zelf mijn weg gaan zoeken in een vreemde omgeving en andere wereld. Helemaal naar Helmond ver weg van de geur van vers gebakken brood. Ik deed mijn intrede in een immens gebouw waar ik heg nog steg kende. Grote lange gangen en hoge trappen van de ene grote zaal naar de andere en alles was van marmer. Het koste grote moeite om die slaapplek, achter een gordijn, als mijn eigen omgeving te beschouwen. Alles was vreemd en onbekend. Veel mannen in lange zwarte pijen waartussen een enkele in het wit. Het was handjes schudden met wild vreemden en niets voelde vertrouwd aan. Mijn koffer op het bed lag er verloren bij en al mijn bezittingen moesten hun plek nog gaan vinden. Moeder was natuurlijk direct de kast al aan het inpakken met mijn kleren, sokken, schoenen en tandenborstel, keurig nette stapeltjes. In de lade van het nachtkastje kwam mijn missaal te liggen. Meer ruimte was er ook niet om die 3×4 meter in te richten. Geen gezellig bedlampje op het nachtkastje want, zoals later bleek, het grote licht boven onze chambrettes ging op een vastgesteld tijdstip ’s avonds ineens uit, slapen dus en in alle stilte.
Nadat mijn slaapvertrek was ingericht werden wij allen in de aula verwacht voor een welkomstwoord van de rector. Een groot gezelschap van ouders met aan hun hand net zo’n schuchter klein jongetje als ik, togen richting de aula. Diverse broeders en paters wezen ons de weg er heen. De rector was een vriendelijke vader figuur die zijn uiterste best deed om ons allemaal op het gemak te stellen. Ik merkte aan moeder dat het haar allemaal niet onberoerd liet want zij besefte nu kennelijk ook dat haar oogappel aan anderen werd toevertrouwd. Met geruststellende woorden van de rector zal moeder hebben gedacht dat ik hier in vertrouwde handen kon worden achter gelaten. Wel maakte hij duidelijk dat deze 12-jarige opleiding het nodige van ons zou vragen maar gelukkig was er ook ruimte voor sport, muziek en andere activiteiten. Duidelijk werd dat wij ons dienden te schikken in een strakke dagindeling en rooster maar dat zou allemaal heel snel wennen.
Zijn vriendelijke en bemoedigende woorden probeerden mij gerust te stellen maar kwamen onvoldoende bij mij aan en ik kneep steeds harder in moeders hand.
Dat grote gebouw, die slaapzalen, wasruimtes, eindeloze lange gangen en hoge trappen gaven mij niet echt het gevoel van enige geborgenheid die ik thuis gewend was. Ik was nog nooit zo ver en lang van huis geweest.
Maagdelijk en onwetend van wat er in de wereld omging kwam ik nu in een volstrekt andere en afgesloten omgeving terecht. Het gaf mij geen gerust gevoel en de heimwee kwam al in mij opwellen. Na die goedbedoelde welkomstwoorden werd het tijd om afscheid te nemen, het zou nu serieus gaan worden. Ik kon mijn moeder moeilijk loslaten en de tranen biggelden over mijn wangen. Om ons heen was het een gesnotter van jewelste, wij waren niet de enige die moeite hadden met dit moment. Veel broeders en paters namen ons bij de hand en dirigeerden ons weer naar de grote slaapzalen waar wij nog even op verhaal konden komen. Zittend op mijn bed hoorde ik links, rechts en achter de scheidingswanden snikkende emoties van mijn mede seminaristen.
Alles was grijs om mij heen, de deken, de kast, het nachtkastje, de drie wanden van mijn slaapvertrek inclusief het gordijn. Een moeilijk moment waarbij de blik van Maria in de grot mij weinig hulp bood.
Ik besefte dat vader en moeder op de terugweg waren naar Deventer en dat ik hier voor de komende drie maanden het alleen moest zien te redden. Het gordijn werd opzij geschoven en een pater zei dat ik haast moest maken om weer naar de aula te gaan. Ik kende mijn buurjongens nog niet en liep nerveus en onwennig met de andere jongens van de slaapzaal mee naar de aula. Voor in de zaal zocht ik een plek en keek om mij heen in de hoop een bekend gezicht te zien. Het was weer de rector die het woord nam en bevestigde ons dat dit vast wel even moeilijk voor ons was. Boekjes werden rondgedeeld waarin ons de weg werd gewezen door het internaat met plattegronden en foto’s van alle verdere faciliteiten die aanwezig waren.
Wij kregen een overzicht van de namen van de nieuwbakken seminaristen waarbij je in de klas terecht kwam. Ook wist je nu welke pater bij jouw klas hoorde en bij wie je terecht kon met al jouw vragen. Een weekrooster maakte duidelijk wat er precies op iedere dag zou plaatsvinden. Hoe laat we moesten opstaan, wassen, aankleden, naar de kapel, ontbijten, lessen volgen, kapel, pauze, middageten, kapel, lessen volgen, pauze, lessen volgen , kapel, pauze, lessen volgen, avond eten, kapel, zelf studie, ontspanning en recreatie, kapel en slapen. Een heel strak rooster dat
’s morgens in alle vroegte begon met het luiden van de bel om half zeven waarna er weinig tijd was voor andere zaken tot dat na het avond eten je in de aula kon lezen, kaarten of muziek spelen want het licht op de slaapzaal ging uit om half tien.
Wel even iets anders dan de vrijheid die je gewend was. Natuurlijk vroegen vader of moeder wel eens of je het huiswerk al had gemaakt maar nu zou het pas echt aanpezen worden en werd er op alles gelet.
De eerste nacht was een drama, ik kon de slaap niet vatten en mijn gedachten dwaalden af naar thuis. Het huilen stond mij nader dan het lachen en rondkijkend werd ik ook niet vrolijk met al dat grijs om mij heen. Tot laat heb ik de voetstappen van de pater gehoord die tussen de gangen doorliep van de chambrettes.
Je volgde hem en iedere keer als hij in de buurt kwam kneep ik mijn ogen dicht en deed alsof ik sliep. Na veel te weinig slaap werden we al vroeg wakker gebeld en een stem riep ons om snel naar het waslokaal te gaan en vervolgens aan te kleden.
In het waslokaal stonden diverse ronde wasbakken met in het midden een console van waaruit water in alle richtingen spoot. Met moeite kon ik bij de waterstraal komen en waste mij zo goed en kwaad als het kon, tandenpoetsen en snel aankleden. Daarna werden wij in de kapel verwacht voor het ochtend gebed. De weg daarnaar toe was niet moeilijk want je volgde gewoon alle jongens. Na deze dienst gingen we naar de refter, de eetzaal, waar tafels en banken in lange rijen stonden opgesteld en ik zocht weer een plek bij jongens die ik meende te herkennen. Je diende naast de banken te blijven staan tot de pater Prefect, die op een verhoging vooraan in de zaal zat, met een belletje te kennen gaf dat we mochten gaan zitten. Deze pater Prefect hadden we al even leren kennen tijdens de kennismakingsbijeenkomst van de dag ervoor. Daar werd hij ons voorgesteld als de belangrijkste functionaris in ons internaat na de rector. De rector was voor mij de directeur en pater Prefect de bedrijfsleider. Na een gebed werd er in stilte gegeten en meer keus dan een witte of bruine boterham met jam of kaas was er niet. Wel kon je kiezen tussen een kop thee of melk. Zwijgend en stiekem rondkijkend werden de boterhammen verorbert.
Alle nieuwkomers bij elkaar vooraan in de eetzaal en achterin zaten de grotere jongens die kennelijk al langer op Christus Koning zaten. Die zagen wij nu voor het eerst en hun aanwezigheid deed mij wel goed, dat gaf toch enigszins het gevoel dat het hier wel oké moest zijn. Met simpele gebaren probeerde ik mijn buurjongen duidelijk te maken of hij mijn plak kaas wilde ruilen voor zijn jam. Dat was pater Prefect niet ontgaan en gebruik makend van het belletje zei hij met luide stem dat het niet de bedoeling was om te praten dan wel contact te maken met een medestudent.
Mijn vuurrode hoofd maakte natuurlijk zichtbaar wie hier de boosdoener was.
Ik voelde mij betrapt en wist ook direct dat niets hem zou ontgaan. Het was mijn eerste confrontatie met de Prefect waarvan er nog velen zouden volgen.
Op ons lesrooster kon je vervolgens zien welke les er zou volgen en in welk lokaal dat zou plaatsvinden. Met een vaste groep leerlingen waren wij ingedeeld en dat zou het eerste jaar ook zo blijven. Zo kon ik al snel kennismaken met een aantal van mijn klasgenoten waarmee je dan ook al gauw een vriendschapsband opbouwde.
De eerste dagen waren een kwelling. Het strakke rooster en dagindeling bracht wel met zich mee dat er nauwelijks tijd was voor verdriet en daar kwam natuurlijk bij dat er zo veel nieuwe indrukken op mij afkwamen dat ik moe in slaap viel.
Het verzamelen van alle lesboeken en materialen, het kennismaken met de paters waarvan wij les kregen vroegen ook om veel aandacht. Maar was er even tijd voor je zelf dan sloeg de heimwee in alle hevigheid toe. Ik wilde wel op mij knieën naar huis. Contact met thuis was ons verboden dus even telefoneren was er niet bij.
Ik voelde mij opgesloten en verlaten maar zag natuurlijk ook daar niet de enige in te zijn. Bij veel van mijn mede seminaristen zag ik hetzelfde verdriet. Het verlangen naar huis werd ondraaglijk en ook na een gesprek met een van mijn Heerooms die op bezoek kwam hielp mij niet over mijn heimwee heen. Ik denk dat het Heeroom Theo was geweest die mij bemoedigend heeft toegesproken en vertelde over zijn tijd, lang geleden, en hoe hij daar ook overheen was gegroeid.
Ik smeekte hem mij weer mee te willen nemen naar huis, mijn vertrouwde omgeving. Het was ondraaglijk moeilijk als klein jongetje zo weg van huis.
Ik moest deze tijd zien te doorstaan, flink zijn, bidden en te geloven in de juiste keuze die ik had gemaakt. Hij vertelde dat moeder mij ook mistte maar dat zij erg trots op mij was en hoopte dat ik mijn roeping zou volgen. Ik wilde natuurlijk niemand teleurstellen en al zeker moeder niet maar de heimwee knaagde zeer aan mij.
Hier was ik niet op voorbereid en durfde er ook eigenlijk niet aan te denken dat ik zou moeten terugkeren op mijn wens om priester te worden. Dat zou een schande zijn voor mijn hele familie en iedereen die in mij zo’n goed gelovige jongen hadden gezien die een roeping volgde en was voorbestemd. Maar hoe moet dit verder, hoe ontkom ik aan die hevige heimwee en verlangen naar huis. Naar mijn broers en zussen, vrienden, voetballen en ravotten, de buurt en het plezier van een onbevangen jeugd. In de relatieve eenzaamheid en persoonlijke omgeving van mijn slaapvertrek lag ik ‘s avonds, met mijn gezicht in het kussen, onbedaarlijk te huilen en wenste deze stap nooit te hebben gezet. Hoe zou ik kunnen terugtreden op mijn schreden en dit oord kunnen verlaten zonder alle schade en schande die ik ongetwijfeld zou aanrichten? Ik wist dat het een onmogelijke gedachte was en dat ik hier doorheen moest zien te komen. Ik zou me nooit meer kunnen vertonen bij alle mensen die zo in mij geloofden. Maar hoe doe ik dat, alleen en overgeleverd aan dit straffe regime? Was ik wel gelovig genoeg of heb ik mij zelf altijd iets voorgehouden wat helemaal niet voor mij bestemd was? Was ik nu zondig en heb ik mij laten meeslepen in een theater waar ik helemaal geen rol in vervulde? Ik raakte geheel in verwarring en de twijfel sloeg toe. Daarover praten met een pater of met een medeleerling was ook geen optie. Dit moest ik zelf opknappen en mee klaar zien te komen en enige steun kreeg ik slechts door het zichtbare verdriet dat ook anderen wel hadden, daar was ik niet alleen in. Eerder was ik wel gewend om boete te doen en nog maar eens langs de staties te gaan, dat bracht mij destijds enige verlichting.
Dit kon ik ook niet delen met mijn biechtvader hoewel hij zich uiteraard aan het biechtgeheim diende te houden. Het uiten van deze twijfels en gedachten hier weg te willen was eigenlijk geen onderwerp, ook niet in de beslotenheid van de biechtstoel. In de namaak grot van Lourdes, achter in de tuin, hoopte ik op troost en verlichting. Het aangrijpende verhaal van Bernadette Soubirous, aan wie Maria was verschenen in Lourdes, had ik natuurlijk al lang gelezen. Je kon en mocht geloven in wonderen maar ja die had ik nog nooit gezien of meegemaakt. Op je elfde al een rotsvast vertrouwen uitspreken of zelfs maar denken aan dergelijke grote dingen was heel veel gevraagd. Mijn tranen wonnen het van de zekerheid in het hiernamaals en dat alles goed zou komen. Mijn missaal met het relikwie was mijn enige houvast in deze moeilijke tijden. Bidden kon ik wel en meezingen al helemaal, er zat niets anders op dan om mij daar helemaal aan over te geven. Mijn moeder verdriet te zullen doen met haar Theetje, zoals ze mij altijd noemde, was voor mij een grote stok achter de deur om door te zetten en mij te verbijten. Kon ik haar maar even spreken, haar zien en een knuffel krijgen, dat zou mij sterken. Daar was evenwel geen ruimte voor in dit regime van het heilige geloof en overgave aan God. Ten slotte had ik er zelf voor gekozen en door niemand hiertoe gedwongen.
Tussen de muren van Christus Koning in Helmond bij de paters van het Heilig Hart van Christus moest het allemaal goed komen. Bij de gedachten daar dan 12 jaar over te moeten doen maakte mij redelijk troosteloos. Mijn enige uitlaatklep waren de briefen aan moeder. Hoewel ik zoveel mogelijk mijn heimwee verhulde en voornamelijk vertelde over het gemis van haar en mijn broers en zussen zal zij tussen de regels door echt wel mijn verdriet hebben bespeurd. Of die brieven moeder ook ooit hebben bereikt is de vraag. Wat ik toen nog niet wist was dat alle binnenkomende en uitgaande post werd bekeken. Ik vroeg mij al vaker af waarom ik geen antwoord kreeg op mijn brieven aan moeder. Bellen kon ook al niet dus ik bleef in onzekerheid zitten. Veel later zag ik wel dat alle binnenkomende post was opengemaakt maar daar maakte ik mij toen niet al te druk over. Dat hier gewoon sprake was van censuur had ik absoluut niet door. Ik had vertrouwen in de mensheid en al zeker in de geestelijkheid. Waarom zou ik daaraan twijfelen daar was geen enkele reden toe. Ik vertrouwde hen juist mijn falen en zonden toe.
Bij de oudere medestudenten was een tweeling die bij iedereen gezag genoten en die mij het gevoel bezorgden dat het kennelijk goed zou komen. Zij liepen met grote zelfverzekerdheid rond en waren een voorbeeld voor al die jonge jongens die nog maar net kwamen kijken. Deze broers hadden die problemen natuurlijk al lang overwonnen en daar gesterkt uit tevoorschijn gekomen. Ik klampte mij daar, in gedachten, maar aan vast en hoopte dat mijn gebeden verhoort zouden worden.
Het bleef evenwel huilen geblazen en ik zocht tevergeefs steun in mijn omgeving.
Wel vond ik enig plezier en ontspanning in de zang- en muzieklessen die ’s avonds werden gegeven. Direct al was ik de voorzingende sopraan in het koor en melde ik mij aan voor viool- en blokfluitles. In de recreatiezaal was o.a. gelegenheid om te kaarten, dammen of te schaken en ook daar vond ik wel afleiding in. Verder was het erg wennen aan het strakke dagschema en de eerste kennismaking met het grieks en latijn. De verzameling studieboeken groeide gestaag en na de eerste week begon je aardig de weg te kennen in dit grote internaat. Ook kreeg ik meer contact met enkele jongens en was er uitwisseling over onze ervaringen en het leven op Christus Koning. Voor ieder van ons was dat natuurlijk anders en kwamen wij uit diverse verschillende milieus. Iedere avond verplichte studie was voor mij een nieuw fenomeen. Dat was een uur lang blokken op gekregen lesmateriaal in een grote zaal waar alle jongens aanwezig waren. Aangeschoven in lessenaartjes was het doodse stilte en hoorde je slechts de voetstappen van de surveillerende paters. Het had meer weg van straf dan van je verder bekwamen in de lesstof. Voorin de zaal zat een pater aan wie je iets kon vragen maar dat durfde je de eerste tijden al sowieso niet.
In het begin zat je die tijd gewoon maar uit en verheugde je je op de recreatiezaal waarnaar je daarna kon. Niet veel later had ik die verplichte studietijd echt wel nodig om mij het grieks en latijn een beetje eigen te maken. Dat was een hele kluif want al die vervoegingen uit je hoofd leren was geen sinecure. Mijn eerste kennismaking met de Egyptische en Griekse mythologie werd een openbaring voor mij. Met grote belangstelling volgde ik deze lessen en ontdekte in de bibliotheek dat hierover veel boeken voorhanden waren. Buitengewoon boeiend om met die beschavingen kennis te maken en er ging een wereld voor mij open. Hier had ik natuurlijk nog nooit mee kennis gemaakt of ervan gehoord. Later kwamen daar de Romeinen ook nog bij en het kon voor mij niet op.
De sportieve uitspattingen op het internaat bleven voornamelijk beperkt tot het voetballen. Wij hadden een eigen voetbalveld en kleedruimtes met kastjes voor de voetbalschoenen en scheenbeschermers. Mijn broers waren enthousiaste voetballers en ik deed voornamelijk mee voor de gezelligheid. Als er een team werd samengesteld en er moest iemand op goal dan melde ik mij daar graag voor aan.
Dan kon ik het een beetje overzien en voelde mij daar het meest op mijn gemak.
Met voetballen was ik nooit zo fanatiek en was daar geen uitblinker in.
Natuurlijk was het wel een welkome afwisseling op de strakke dagindeling waarbij je nu de ruimte had voor lichamelijke ontspanning. Dat was al zeker een van de grote verschillen met de situatie van thuis. Dat was ’s morgens en ’s middags een paar uurtjes naar school en verder veel tijd voor spel en vermaak zonder surveillanten en verplichte studie in een doodstille studiezaal.
Vlak naast ons voetbalveld was in de hoek van het terrein de grot van Lourdes nagebouwd. Dat had een wonderbaarlijke aantrekkingskracht op mij en vaak was ik daar te vinden onder het Mariabeeld boven in de grot. Het verhaal van de verschijning van de heilige Maagd Maria in Lourdes en de wonderen die daar waren verricht zaten in mijn hoofd gebeiteld. In onze vroegere parochie in Deventer werden jaarlijks trein- en busreizen georganiseerd naar Lourdes en dat waren altijd gebeurtenissen van formaat. Daar liep de parochie voor uit en was het vechten om ook als vrijwillige ziekenverzorger mee te kunnen. Dat waren belevenissen waar jarenlang over werd gesproken. Het was een van de grootste wensen van vader en moeder om eens naar Lourdes te gaan. Voor de meeste zieken blijkt het een onuitwisbare ervaring te zijn om in Lourdes te zijn geweest.
Veel van de paters en broeders op Christus Koning knielden neer bij de grot in gebed en bezinning. Het was een plek met een magische aantrekkingskracht voor mij waarbij ik mij probeerde voor te stellen hoe dat ooit moet zijn geweest voor Bernadette Soubirous. Haar verhaal gaat terug tot donderdag 11 februari 1858 als Bernadette vertelt dat zij de heilige Maagd Maria, de Onbevlekte Ontvangenis, heeft gezien. Het verhaal wil dat zij zelfs 18 keer deze verschijning heeft gehad.
Een nauwelijks te bevatten verhaal maar als klein kind buitengewoon indrukwekkend. Vaak waren ook andere mensen samen met Bernadette bij die grot doch zij hebben Maria nooit kunnen waarnemen. We moeten Bernadette op haar woord geloven en daar heeft Lourdes ondertussen flink garen bij kunnen spinnen. Over de vermeende wonderen die er zouden zijn gebeurd bestaat zeer veel discussie en een echt bewijs is nooit geleverd dat die daadwerkelijk zouden hebben plaatsgevonden. Het wonder van de Onbevlekte Ontvangenis is minstens even zo groot. Hoe heeft Maria ooit een kind kunnen baren terwijl haar man, Jozef de timmerman, nooit gemeenschap met haar heeft gehad? Het was de overlevering waar wij weer aan waren overgeleverd. In ieder geval kregen wij het als zoete koek voorgeschoteld en dienden dit onvoorwaardelijk te geloven. Als goed katholiek deed ik dat ook en nam het als absolute waarheid aan. Zelfs deze namaak grot was voor mij heilige grond ik putte daar kracht uit om mijn heimwee en verdriet te verdringen. Erg makkelijk ging mij dat niet af want het heeft weken geduurd voordat mijn tranen waren opgedroogd en ik mij verder, vol overgave, op mijn roeping kon storten. Het volgen van het dagelijkse rooster werd ook makkelijker en trok je steeds meer op met de mede seminaristen. Van de buitenwereld hoorden of zagen wij niets.
Het internaat was geheel afgesloten en wij waren volkomen op ons zelf aangewezen.
Eenzaamheid maakte zelfs plaats voor samen musiceren of naar muziek luisteren.
Mijn Stradivarius, want dat plakplaatje zat aan de binnenzijde van mijn viool, koesterde ik en speelde vol overgave de toonladder van voren naar achter en van achter naar voren. Ook met mijn blokfluit kon ik aardig overweg en dat ik al lang noten kon lezen gaf mij een voorsprong op de andere muzikanten. Ik was een fanatieke leerling en zong ook op het koor het hoogste lied maar dan wel in het Gregoriaans. Naast de muziek kreeg ik belangstelling in lezen en ontdekte ik Russische klassiekers als Dostojewski, Gogol, Pasternak, Tolstoj en Tsjechov.
Veel te veel voor zo’n kleine jongen maar ik was daar zeer door geboeid.
Maar ook de gedichten van o.a. Stein Streuvels verslond ik. De bibliotheek was voor mij een heerlijk toevluchtsoord waar ik mij kon verliezen in prachtige verhalen en nieuwe horizonnen. Het werd een grote ontdekkingsreis voor mij om rond te neuzen langs de lange rijen boeken. Daar ook vond ik boeken over Nabucadnezar, Nefertiti, Alexander de Grote, de piramides, Athene, Rome en de hele verdere ontstaansgeschiedenis uit de oudheid. Dagenlang droeg ik de zwarte mouwstukken die wij hadden gekregen en vond dat reuze interessant.
Een absoluut uitje was het bezoek aan de voetbalclub Helmond Sport.
Dan liepen we, in colonne met links en rechts een pater, enkele kilometers naar het stadion. Dat was ons enige contact met de buitenwereld en een zeer welkome afwisseling in onze gesloten gemeenschap. De tweeling broers waren daar altijd bij en voerden de troepen enigszins aan. Zo’n uitstapje schepte ook weer een band tussen de nieuwkomers en de ouderlingen. Zelf hield ik mij redelijk gedeisd, met voetbal had ik niet zoveel, terwijl ik juist veel meer genoot van het gejuich en de opwinding van alle bezoekers. Dat vond ik veel boeiender dan die spelers op het veld. Voetballen deden wij natuurlijk ook op het internaat en wat mij daar bijzonder van is bij gebleven is Pater Peters die vaak mee deed. Hij was vrij klein en kaal en rende met korte, snelle passen langs de lijn met de bal aan zijn voet. Daarbij hoorde je dan een ruisend geluid van de pij die langs zijn benen schuurde.
Een fanatiek mannetje die liever mee voetbalde dan als scheidsrechter te fungeren. Mijn voetbalschoenen waren afdankertjes van mijn oudere broer en al redelijk afgetrapt. Soms mocht ik de schoenen lenen van een van de jongens waar ik een redelijke band mee had.
Dat waren voetbalschoenen waarvan de gehele zool was voorzien van witte kunststof nopjes, toen der tijd een bijzonderheid. Wij hadden allen gewone voetbal kistjes met enkele grote noppen maar Frans, zo heette hij, was een goede technische voetballer die zelfs de grote jongens meestal te snel af was.
Nee, bij voetballen kon ik geen potten breken dat deed ik meer met mijn muzikale kwaliteiten en de zang. Niet voor niets dat ik liever de min of meer veilige beschutting van de witte palen op zocht.
Ondertussen begon ik mij redelijk thuis te voelen en de weg te vinden in de vele gangen, trappen, verdiepingen en de gezichten te herkennen van broeders en paters.
De broeders waren de noeste werkers voor alle dagelijkse en huishoudelijke werkzaamheden, de paters waren de intellectuele docenten. Na een paar weken had mijn heimwee een plaats gekregen hoewel ik met heel veel weemoed vaak aan moeder moest denken. Mijn missie was duidelijk; studeren, studeren, en veel latijn, grieks en onophoudelijk bidden en geloven in de ingeslagen weg. Als gelovig en heilig boontje ging mij dat goed af. Het missaal lag altijd onder handbereik en ik volgde blindelings het dagelijkse programma. Kennelijk gaf zo’n straf schema en het feit dat we daar allen zo eensgezind en collectief in meedraaiden een ongekende saamhorigheid. We waren hier allemaal voor hetzelfde doel en met een rotsvast geloof, het enige geloof. Vol overgave was ik al misdienaar en koorknaap in onze parochie geweest maar hier op het seminarie kreeg dat nog meer dimensie.
Het was ernst geworden, een onomkeerbare stap in je leven met een lange studie geheel gewijd aan het geloof. Een toekomst in dienst van God en een celibatair leven. Geen vrouw, geen gezin met kinderen, geen maatschappelijke carrière maar alles gericht op het Heilige Geloof in God en het hiernamaals. In die eerste weken op het seminarie hing ik nog erg aan de rokken van mijn moeder en overheerste de heimwee maar dat maakte allengs plaats voor het besef waarom ik hier was.
Dat hogere doel overwon mijn twijfel en angst en in de sfeer en omgeving binnen het seminarie werd ik steeds meer meegenomen naar het priesterschap. In deze afgesloten gemeenschap was natuurlijk ook helemaal geen ruimte voor andere aardse zaken. Het speelse ongedwongen kinderleven maakte plaats voor een strak rooster en dagindeling met serieuze studie. Geen verstoppertje of andere kinderachtige spelletjes nu was het menens en dat werd je heel erg duidelijk gemaakt. Op je elfde was je nog kneedbaar genoeg om je daar goed van te doordringen zeker in deze omgeving waar alles in het teken stond van het hogere doel. Slaafs en devoot met een strenge discipline ging dat als vanzelf. Als ik toch weer weemoedig afdwaalde naar huis, mijn broers en zussen vond ik troost in mijn missaal of zocht ik Maria op in de grot. De eerlijkheid gebied te zeggen dat ik ook geen enkel ander doel of carrière voor ogen had anders dan het priesterschap.
Ik wilde al helemaal geen bakker worden, groenteboer of onderwijzer. Op deze leeftijd was ik niet bezig met een andere beroepskeuze of opleiding.
Mijn toekomst was al vroeg bepaalt en ingegeven in mijn jeugd en kreeg nu op het seminarie verder vorm en inhoud. Twijfel daarover had ik niet wel nog dat ik al zo jong, weg van huis, een volstrekt nieuw en ander leven moest leiden. Veel te jong was ik om al, min of meer, op eigen benen te moeten staan. De paters deden hun best om je een gevoel van geborgenheid te geven maar zij konden natuurlijk lang niet op tegen mijn moeder, dat was echt wennen. De eerste drie maanden in afzondering van de wereld en zonder enig contact met je dierbaren.
Dat was niet eenvoudig voor een puber die nog helemaal niets van de wereld had gezien en alleen ging voor een idee-fixe van de witte pij in de rimboe.
Toen was het dan zover, na drie maanden mochten we eindelijk naar huis, naar moeder. Een roerend weerzien volgde en ik werd geknuffeld om nooit meer te worden los gelaten. Ik had stoere verhalen over de afgelopen drie maanden want ik wilde mij groot houden. Dat ik zoveel heimwee had gehad en terugverlangd naar thuis bleef onderbelicht. Nee, veel meer mijn opgedane kennis van de mythologie, het grieks, latijn en mijn muzikale aspiraties op viool, gitaar en blokfluit. Dat waren natuurlijk mijn vorderingen in drie maanden die mij uitzonderlijk maakte.
Thuis was er verder niets verandert, alles was hetzelfde, de bakkerij, winkel en de vogels van vader. Ik maakte een rondreis langs alle buren en vrienden om mijn verhaal te doen en moeder was ontzettend trots op haar Godsgeschenk.
Ook in de parochie wilde men natuurlijk weten hoe het mij was vergaan.
Klooster Sion kwam voorbij en iedereen die het horen en zien wilde zag de keuze van het heilig boontje bewaarheid. Het waren slechts enkele dagen thuis want mijn roeping riep en natuurlijk vielen de waterlanders rijkelijk bij het afscheid.
Met extra kleren, snoepgoed, tijdschriften en boeken in mijn koffer werd ik weer afgeleverd op het seminarie.
De koffer werd opengemaakt en de tijdschriften en boeken gingen linea recta naar het archief om nooit meer boven tafel te komen. Daarvoor in de plaats mocht ik een keuze maken uit enkele liturgische tijdschriften. Het diende allemaal verantwoorde lectuur te zijn voor een priester in opleiding. Zelfs de Katholieke Illustratie, het lijfblad thuis, vond geen genade en werd ingevorderd. Veel te veel wereldlijke plaatjes die alleen maar zouden afleiden. Vol overgave stortte ik mij weer op de studie en vanaf nu mocht je op bepaalde tijden telefoneren met je ouders.
Ik geloof overigens niet dat ooit te hebben gedaan maar schreef wel brieven aan moeder niet wetend dat alle uitgaande- en binnenkomende post werden gecontroleerd. Ook is het onbekend of alle post altijd is aangekomen, later heb ik dat als buitengewoon stuitend ervaren. Kennelijk heeft men het toen nodig gevonden om deze censuur te moeten toepassen. Was men bang dat er ongewenste berichten naar buiten kwam? Het was natuurlijk niet voor niets dat deze controle werd uitgeoefend. Ik weet nu beter en kan bevestigen dat het nodig was om het leven binnen de muren van het seminarie af te schermen voor de buitenwereld.
Het latijn en grieks werd ingewikkelder en de verplichte studie-uren waren aan mij zeer besteed. Anderzijds vond ik het latijn erg boeiend. Ik zong al lang de Heilige Mis en kende die volledig uit mijn hoofd. In mijn missaal stonden de Nederlandse vertalingen er bij dus ik wist wel waar het over ging. Maar om nu vloeiend Latijns te leren spreken was wel van een andere orde.
Ik had nog twaalf jaar te gaan dus veel zorgen maakte ik mij daar niet over.
De Mesopotamiërs en vele andere volkeren boeiden mij des te meer. De piramide van Cheops of de steen van Roset hadden mijn grote belangstelling en het ene boek na het andere verslond ik. Naast de Russische schrijvers schoven ook Franse aan als Sartre, Boris Vian of Emile Zola. Ik las wel zes of zeven boeken tegelijk en mijn leeshonger was nauwelijks te stillen. ’s Avonds in bed lag ik nog te lezen en had een klein zaklantaarntje om, als het licht was uitgegaan, onder de dekens nog door te kunnen gaan. Het bleef wel oppassen geblazen om de voetstappen te volgen van de surveillerende pater. Als hij in de buurt kwam diende ik keurig, met mijn hoofd boven de dekens, te slapen. Natuurlijk bleef dat niet onopgemerkt en werd ik betrapt. Vervolgens kwam ik op rapport bij pater Prefect die mij bestraffend toesprak en mij wees op mijn illustere voorgangers, de drie voorbeeldige Heerooms.
Daar diende ik mij aan te spiegelen en werd van mij verlangt in de pas te lopen.
Hier was geen plaats voor eigen interpretatie of initiatief doch te gehoorzamen en je aan de regels te houden. Zo werd je veelvuldig toegesproken en gecorrigeerd bij de verschillende activiteiten. Ging je in de fout dan volgde er straf en kon je corvee dienst gaan doen. De keuken schoonmaken, gangen schrobben, wasruimtes schoondweilen, de aula opruimen of dergelijke huishoudelijke karweitjes.
Deze werkzaamheden werden normaliter door de broeders gedaan en die kon je daarbij mooi van dienst zijn.
Ik heb dat zelf zelden of nooit hoeven te doen. Gehoorzaamheid was mij met de paplepel ingegeven en daarbij was ik als de dood voor alle zonden, overigens was ik ondertussen wel genezen van die zwarte vlekken op mijn voorhoofd.
Die bangmakerijen van vroeger hadden plaats gemaakt voor serieuze godsdienst, studie en bewustwording van het priesterschap.
Wij waren allen voorbestemd en eensgezind in onze doelstellingen. Daar waren wij ons terdege van bewust, van die roeping en de lange weg die ons daarheen zou leiden. Als uitverkorenen voelden wij de verantwoording om onze stinkende best te moeten doen. Dit was geen sinecure maar dodelijke ernst om niet te falen of af te moeten vallen als mislukkeling. Het afschrikwekkende beeld van een klein schrobbend of dweilend mannetje die, ten overstaan van al zijn mede seminaristen, op zijn knieën in de gang voor zijn straf moest boeten deed wonderen.
De tweeling was wel vaker de klos en kennelijk spoorden zij elkaar aan of wilde niet onder doen voor de ander. Zij hadden wel de lef om in de refter met elkaar te praten of extra uit de pas te lopen als wij juist gesommeerd waren dat niet te doen.
Ik zie nog zo pater Prefect van zijn verhoging afstormen, rennend tussen de banken door en met een harde klap een van de tweeling van de bank af sloeg. Dat was schrikken en tot mijn verbazing kozen allen voor de tweeling door murmelende geluiden te maken dat de hele refter vulde als luid protest. Dit voorval kreeg later wel een staartje want de Rector was dit ter oren gekomen en kwam zelf om excuus te maken voor de handelswijze van de Prefect die wij overigens al enkele dagen niet meer hadden gezien.
De tweeling groeide in ons aanzien en zij waren echt de voorgangers en leiders bij alle activiteiten. Ik was maar een hummel in dat grote gezelschap en kon enkel met mijn stem soms de boventoon voeren.
In een tijd van kloosters, nonnen, kostscholen en internaten was gehoorzaamheid en geloof een heilig goed. Dat was op ons seminarie zeker het geval en voor mij eigenlijk de gewoonste zaak van de wereld, zo was mij dat ook bijgebracht. Ik was mij er ook beslist niet van bewust dat dit een uitzonderlijke situatie was. Wel wist ik uitverkoren te zijn voor het priesterschap en dat was mijn eigen keuze geweest.
Het was geen heilig moeten maar desondanks voelde ik de druk op mijn schouders. In een omgeving waar alles draaide om het geloof in God en om straks als zijn leerling in zijn voetsporen te mogen treden. Dat was voor een puberende jongeling toch een uitzonderlijk groot besluit waarvan de reikwijdte en consequenties ervan volkomen onduidelijk waren. Het was wellicht meer een blind en misschien slaafs geloof in iets waarin ik was opgegroeid en mijn drie Heerooms een groot voorbeeld waren. Natuurlijk was moeder daarbij altijd als lichtend voorbeeld voor mij aanwezig. Theodorus Godsgeschenk, zelfs van de betekenis ervan was ik mij toen erg bewust. Die naam was mij gegeven en dat kon niet voor niets zijn geweest.
Ik moest gewoon door en er was geen weg meer terug.
Buiten enkele ondeugendheden waarbij de tweeling als leiders voorop gingen, waren wij allen brave katholieke volgelingen met een bijzondere toekomst. Wij waren allen uit het zelfde hout gesneden en hadden nog een lange weg te gaan. De studie loog er niet om en al zeker niet het straffe dag rooster was geen sinecure. Ik moest mijn stinkende best doen daaraan te voldoen. Hier was geen ruimte voor verstoppertje, zandkapertje of putje voetbal. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in de rij voor gebed en studie. De extra tijd die gegeven werd voor vragen en bijscholing gebruikte ik dapper. Ik was geen prototype van een studiebol en moest mijn beste beentje bij zetten. Alleen bij de zang stond ik vooraan en excelleerde als de beste. Over mijn vorderingen als instrumentalist op viool, blokfluit en gitaar waren mijn broers en zussen en niet bijster enthousiast. Als ik bij thuiskomst op onze voorkamer aan het oefenen was dan waren zij meestal vertrokken. De koekoeksklok was muzikaler dan ik maar dat zag ik beslist niet zo. Mijn ooms en tantes reageerden veel enthousiaster op mijn muzikale kunsten want ik moest altijd optreden als ik thuis kwam.
Moeder vroeg mij dat natuurlijk altijd want zij was zo trots op haar oogappel.
Voor mijn vroegere vriendjes en klasgenootjes was ik natuurlijk wel een buitenbeentje. Zij zaten allen op de HBS of MULO en deden aan voetbal, hockey of iets dergelijks. Ik hoorde hen over fuifjes en de muziek van de Everly Brothers en vele andere pop muzikanten waar ik niet van had gehoord. Mijn verhalen over het seminarie en mijn ervaringen vonden weinig aftrek, daar konden zij zich niets bij voorstellen. Thuis was dat natuurlijk wel anders en zeker ook bij de rest van de familie en kennissen van mijn ouders. Daar werd ik op handen gedragen en bewonderd voor mijn keuze. Zo merkte ik al vrij snel het grote verschil tussen de afgesloten wereld van het seminarie en de buitenwereld. Op het seminarie waren wij enkel bezig met geestelijke, religieuze zaken en bezinning op het geloof en de voorbereiding op ons priesterschap. Onze keuze was gemaakt en wij hoefden ons niet druk te maken over een andere carrière in de maatschappij, sportwereld of iets dergelijks. Dit waren twee volkomen andere werelden met totaal andere interesses.
Dat bemerkte ik al wel spoedig bij thuiskomst en in de omgang met oude vriendjes. Ik kan mij overigens niet heugen toen geïnteresseerd te zijn geweest in politiek, voetballerij, popmuziek, filmsterren of andere aardse zaken. Nee, daar had ik ook helemaal geen tijd voor. Het was iedere dag flink aanpoten en dat deed ik met volle overgave. Het kostte mij steeds minder moeite om weer terug te gaan naar Helmond, naar de wereld en omgeving waar ik voor had gekozen ondanks het gemis van moeders warmte. Dat de wereld aan mij voorbij ging besefte ik niet, ik ging mijn droom na, mijn roeping.
Het schepte onderling ook een enorme band met al die gelijkgestemde jongens.
We hadden dezelfde dagindeling, waren er met hetzelfde doel en er bestond geen onderlinge na-ijver of concurrentie.
Met een griepje belande ik op de ziekenzaal waar ik samen met een andere jongen kwam te liggen. We kletsten er wat af en hoe het onderwerp ter sprake kwam is mij niet bijgebleven maar we kregen het over hoe kinderen geboren werden.
Zijn idee daarover strookte absoluut niet met de mijne. De inhoud van het paarse boekje is voor mij onbekend gebleven maar wat ik hierover wel al opgepikt had vertelde ik hem. Ik diste hem op dat de piemel van de man hier het gereedschap voor was en dat de vrouw een gleuf had tussen haar benen waar de piemel in paste.
Als zij dat samen deden dan werd er na negen maanden een kindje geboren.
Hij verklaarde mij voor gek en wist zeker dat dit nooit zo kon gebeuren. Zijn vader en zijn moeder zouden zoiets smerig nooit hebben kunnen doen. Enkele dagen later bleek dat hij, volkomen over stuur, zijn verhaal had gedaan bij pater Prefect.
De hel brak los en ik werd bij de Prefect ter verantwoording geroepen. Hoe ik toch bij deze ongelooflijke smerigheid was gekomen en hoe ik zoiets dergelijks heb kunnen beweren. Ik stamelde dat ik het ook allemaal niet zeker wist maar dit zo had vernomen. Pater Prefect was woedend en ik stond daar in mijn korte broek met handjes op mijn rug voor zijn bureau en kreeg te horen dat dit verhaal aan de Rector en mijn ouders zou worden verteld. Ik kwam toch uit zo’n keurig katholiek gezin en hoe was het dan mogelijk dat ik deze onzin verteld had. Ik was mij van geen kwaad bewust maar zou hier nog vaker op worden aangesproken want hier zou het absoluut niet bij blijven. Wat had ik aangericht en welke gevolgen zou dit krijgen?
Hevig ontdaan en eenzaam heb ik mij huilend bij de Maria grot gemeld. Dit zou wel eens het einde van mijn roeping kunnen beteken en ik was totaal van slag en niet bij zinnen tot nadenken. Wat zou er nu verder met mij gaan gebeuren en hoe zou de Rector en vader en moeder hierop reageren? Ik was radeloos en kon slechts het ergste vrezen. De daarop volgende dagen was ik tot niets in staat en kon me nergens op concentreren. Studeren was er niet bij en ik liep automatisch het dagprogramma mee. Slapen kwam er niet van en ik haalde mij de ergste dingen in mijn hoofd.
Ik had iets verteld waar ik zelf weinig van wist en begreep en tot grote commotie had geleid. Pater Prefect was streng en machtig en dat zou grote repercussies op mij krijgen. Ik sprak er met niemand over en schreef ook niets naar huis bang dat ik was dat vader of moeder zelf wel op bezoek zouden komen na dit incident. Onzekerheid en onrust nam bezit van mij en de jongen waar tegen ik mijn verhaal had gedaan zag ik helemaal niet meer. Ik verbaasde mij over het feit dat niemand mij hierop aansprak want het verhaal zou toch de ronde doen en tot actie leiden jegens mij?
De dagen streken voorbij alsof er niets was voorgevallen maar ik was mij zelf niet en was doodongelukkig. Zelf durfde ik ook niet te informeren bij mijn mede seminaristen bang dat ik was dat ze het wel wisten maar hun mond tegenover mij moesten houden. Het voelde als een isolement waarin ik weinig kon uitrichten en wel alle ogen op mij gericht voelde. Ook had ik wel iets van de Rector verwacht maar dat bleef uit. Zo’n twee weken later diende ik weer op het matje te komen bij de Prefect. Je wist dan dat het rode lampje boven zijn deur in de gang aan zou gaan ten teken dat hij niet gestoord diende te worden. Met lood in mijn schoenen begaf ik mij naar zijn kamer. Pater Prefect zat achter zijn bureau en vroeg heel vriendelijk hoe het met mij ging. Ik stamelde dat het wel redelijk met me ging. Of ik er enigszins van doordrongen was wat ik had gedaan en waar ik dat onzinnige verhaal vandaan had gehaald, vroeg hij. Ik kon geen woord uitbrengen en wist beslist wat ik moest antwoorden. “Kom eens hier naast mij staan”, gebood de Prefect. Schoorvoetend liep ik naar hem toe. Onmiddellijk voelde ik dat hij met zijn hand mijn korte broek in ging en zijn hand op mijn piemel legde. Ik stond als aan de grond genageld.
“Jij hebt toch zo’n keurige opvoeding van huis mee gekregen”, zei de Prefect.
“Heb jij nog een van jouw Heerooms gesproken”, vroeg hij. “Want jij spiegelt je toch zo graag aan hen”, ging hij verder. Ik voelde dat hij met zijn hand onder het elastiek van mijn onderbroek ging en mijn piemel vastpakte. Totaal verbouwereerd en verward wist ik mij geen raad. Stokstijf stond ik naast hem en wist absoluut niet wat er gebeurde en mij nu overkwam. Pater Prefect praatte gewoon door zittend in zijn stoel en keek mij niet aan. Hoe ik toch zo had kunnen ontsporen met dergelijke smerige en ongepaste verhalen. Zoiets kon ik niet van katholieke ouders hebben vernomen want het krijgen van kinderen was iets heel moois door God gegeven.
Niet op of om kijkend ging de Prefect door mijn piemel te betasten en ik durfde niets te zeggen of te doen. Het zal enkele minuten hebben geduurd toen de Prefect zei dat hij hierover vaker met mij wilde praten want ik diende te beseffen dat dergelijke zondige praat moest worden uitgebannen. Hij zou dat ook rechtstreeks met mij doen en beloofde dan daar verder niet over te zullen praten met de rector en mijn ouders.
Hij had het beste met mij voor en daarvan moest ik ook overtuigd zijn.
Twee weken lang had ik ongelooflijk in de rats gezeten en het ergste verwacht dat, zo nu bleek, was uitgebleven omdat hij het helemaal voor zich had gehouden. Hel en verdoemenis zou mij ten deel vallen en die opluchting was groter dan de onverwachte betasting waar ik niets van begreep. Verwarring overheerste en ik wist me eigenlijk geen raad. Wat betekende dit, deze ongekende ervaring die mij was overkomen. Waarom deed pater Prefect dit en wat wilde hij daarmee? Nooit eerder had iemand mijn piemel beroerd. Even later stond ik weer op de gang en zag nog dat het rode lampje weer uitging. In de min of meer besloten ruimte van mijn slaapvertrek heb ik op bed liggen huilen. Wat was ik nu graag bij mijn moeder geweest en haar armen om mij heen gevoeld. Enige opluchting was er na die twee weken waarin ik alle ellende over mij heen had verwacht maar ik wist mij ook geen raad na de handtastelijke ervaring door de Prefect. Ik had de voetstappen niet gehoord want het gordijn van mijn chambrette werd opzij geschoven door pater Prefect die vroeg waarom ik niet in de studiezaal aanwezig was. Met zijn arm op mijn schouder liep hij met mij mee naar de studiezaal en zei nog dat hij wel zou zeggen wanneer hij weer verder met mij wilde praten. Tijdens het verplichte studie uur heb ik alleen maar voor mij uit zitten staren en probeerde enige rust te krijgen in mijn hoofd. Diezelfde avond ben ik nog bij de Maria grot geweest en mijn toevlucht gezocht in mijn missaal. ’s Avonds in bed ben ik mij blijven afvragen wat mij was overkomen en wat dit betekende. Dit was allemaal te verwarrend en onrustig voor een jongetje die hier geen enkele verklaring aan kon geven. Kon ik weten hoe ik hierop had moeten reageren en welke betekenis dit had? Voor mij was het onbekend en had geen enkel idee of dit met seksualiteit had te maken. De daarop volgende dagen liep ik weer aardig mee met het dagelijkse ritme en was ik meer bezig met studie en lezen dan aan mijn ervaring met de Prefect. De Egyptenaren, Grieken en Romeinen boeiden mij weer en ik was vaak in de bibliotheek. Ook op het koor zong ik met veel plezier al het Gregoriaans bij elkaar. Daar werd mij nog het advies gegeven meer met mijn buik te ademen dan met mijn longen, dat zou mijn zangkwaliteit ten goede komen. Een nieuwe manier van ademen tijdens het zingen en daarmee zou Pater Peters kunnen helpen werd mij verteld. Ik dacht nooit na over het in- of uitademen, dat is zo iets gewoons en gaat helemaal van zelf. Maar dat de buik daarbij van belang kon zijn was volstrekt nieuw voor mij en al zeker dat het de stemkwaliteit kon verbeteren. Als dat het geval was wilde ik dat zeker gaan proberen en dus melde ik mij bij pater Peters. Hij legde mij precies uit hoe dat werkte door niet alleen de longen te vullen met lucht maar juist de buik daarvoor te gebruiken.
Hij was ontzettend vriendelijk en het koste hem geen enkele moeite mij ervan te overtuigen hoe nuttig het zou zijn om die ademhalingsoefeningen bij hem te gaan volgen. Nog beter zingen was voor mij van groot belang zeker als solist in ons koor. Iedere vrijdagmiddag een half uurtje en dan zouden we, afhankelijk van mijn vorderingen, wel zien welke afspraken er eventueel nog nodig waren. Het voelde bijzonder aan die speciale aandacht voor mijn zangkwaliteit waardoor ik regelmatig in de spotlight stond. Voor de rest was ik zeker geen buitenbeentje en deed ik gewoon mijn best in het hele studieprogramma. Het hele dagschema was er ondertussen helemaal ingesleten vanaf ’s morgensvroeg rondom de wasbakken totdat het licht boven ons uitging in de slaapzaal. Het bleef een strak schema van studie en gebed met enkele momenten van ontspanning. Zo heb ik er het typisch zuidelijke kaartspelletje ‘rikken’ geleerd. Thuis speelden wij canasta en kaarten deed ik altijd met zeer veel plezier.
Mijn herinneringen aan de merkwaardige betasting door pater Prefect werd weer wakker geschud door zijn vraag weer bij hem te moeten komen. Een buitengewoon onbestemd gevoel maakte zich van mij meester. Zou ik nog steeds worden aangesproken op mijn verhaal in de ziekenzaal en wat zou hij doen? Met angst en beven begaf ik mij naar zijn kamer. Hij had gehoord dat ik speciale ademhalingsoefeningen zou krijgen van pater Peters en complimenteerde mij daarmee. De jongen tegen wie ik mijn verhaal had gedaan was thuisgebleven en niet meer teruggekomen. Of ik mij wel realiseerde dat dat allemaal door mij was gekomen met mijn smerige verhaal. Zeer bestraffend werd ik gewezen op de consequenties daarvan en als straf zou ik de komende drie maanden niet naar huis mogen en zou dan alleen achterblijven op het internaat. Ik zakte door de grond van angst zeker ook door zijn mededeling dat hij mij nog vaak hierover zou aanspreken. Ook zei hij dat de Rector zeer verbolgen was over het feit dat deze jongen nu verloren was voor het priesterschap en dat was geheel toe te schrijven op mijn gedrag. Daar stond ik in mijn korte broek met de handen op mijn rug voor zijn bureau terwijl deze retirade over mij heen werd gestort. “Kom maar even hier bij mij staan”, vervolgde hij zijn preek. Direct verdween zijn hand weer in mijn broek en pakte mijn piemel vast. Terwijl hij die streelde zag ik tot mijn stomme verbazing dat zijn pij hevig heen en weer bewoog in zijn kruis. Hij keek niet op of om en zei na enige tijd dat hij klaar was met dit gesprek. De betekenis van deze woorden werden mij jaren later pas duidelijk. Volkomen ontdaan en geheel van de kaart ben ik huilend naar mijn slaapvertrek gegaan. Wat gebeurde er toch allemaal en wat deed de Prefect met zijn hand in mijn broek? Ik wist mij weer geen raad en verlangde naar huis maar daar zou ik de komende maanden niet naar toe gaan. Drie maanden straf en hoe vertel ik dat aan vader en moeder? Wat had ik toch misdaan anders dan dat ik, in mijn onwetendheid, een verhaal had opgedist over hoe kinderen geboren werden? Hoe zondig was ik dat ik hiermee zo gestraft werd? Volkomen ontredderd en huilend ben ik in slaap gevallen. Natuurlijk was dit geen onderwerp van gesprek met de anderen en ik hield ook mijn mond dicht over het feit dat ik drie maanden niet naar huis mocht. Ik wist niet wat ik had misdaan maar ik was nu wel de schuldige van het vertrek van een van onze mede seminaristen. Niemand sprak daar overigens over want het kwam wel vaker voor dat er iemand thuis was gebleven en dus niet meer terug kwam. Ik was de zondebok en zo voelde ik mij ook. In een brief aan vader en moeder vertelde ik dat ik de volgende keer niet thuis zou komen om extra tijd te kunnen besteden aan mijn studie. De tranen die daarbij vloeiden hebben zij niet gezien en de brief heeft ze nooit bereikt maar dat besefte ik pas toen zij mij belden waarom ik niet thuis zou komen. Dat vertelde pater Prefect mij tenminste want hij had dat telefoontje gekregen en met mijn ouders gesproken. Over de juiste inhoud van dat gesprek ben ik nooit geïnformeerd maar voor mij was het duidelijk dat hij vader en moeder zou hebben ingelicht over mijn gedrag. Moederziel alleen dwaalde ik door de gangen van het seminarie met slechts de aanwezige paters en broeders terwijl alle jonges thuis waren. Waaraan had ik dit verdient, ik deed toch zo mijn best maar was volstrekt alleen in mijn angstige overpeinzingen. ’s Avonds kwam de Prefect nog even kijken op de slaapzaal en zei dat hij mij morgen weer verwachtte. Natuurlijk heb ik die nacht geen oog dicht gedaan en kon slechts denken aan wat mij weer te wachten zou staan. Veel eenzamer kon ik mij niet voelen, helemaal alleen op de grote slaapzaal, alleen met mijn angst en onrust en zo zou dat blijven want mijn vriendjes waren naar huis naar hun vaders en moeders. Ik bad de stukken ervan af en hoopte troost te vinden in mijn missaal en bij de Maria-grot.
Pater Prefect zat weer achter zijn bureau en vroeg of ik voldoende doordrongen was van de gevolgen van mijn daad en de straf die ik nu onderging. Hij had vader gesproken en verteld dat het beter voor mij was om enkele dagen extra aandacht te geven aan het Latijn en het Grieks. Dat was precies de drogreden die ik ook aan vader en moeder had geschreven. Hij vertelde verder dat vader daar begrip voor had en blij was dat het verder goed met mij ging. Ik moest weer naast hem komen staan en zijn hand verdween direct weer in mijn broek en pakte mijn piemel. Nu zag ik dat zijn andere hand onder zijn pij verdween en heftig heen en weer bewoog. Wat deed hij toch en wat gebeurde hier? Natuurlijk durfde ik niets te zeggen en stond doodstil naast hem. Hij keek mij ook niet aan en friemelde maar met mijn piemel. Nadat hij zei klaar te zijn met het gesprek melde hij wel mij nog vaker te willen spreken over de ernstige misstap die ik had begaan. In absolute ontreddering liep ik even later weer door de lege gangen naar buiten om verhaal te doen bij Maria.
Maar wat vertel ik haar, ik weet nauwelijks wat mij overkomt en wat is de bedoeling van pater Prefect. Met niemand anders kan ik hierover praten en wil dat ook eigenlijk helemaal niet want wat vertel ik dan. Het is angst dat mij beheerst, angst voor het onbekende en bang voor de volgende confrontatie. Wie kan mij helpen want dat er een wonder zou gebeuren bij de grot leek mij niet erg waarschijnlijk. Maar daar stond ik dan met nog steeds een heilig geloof in de keuze die ik had gemaakt en daar op terugkomen kwam niet in mij op. Enige twijfel aan de goede bedoelingen van de paters en broeders op het seminarie had ik evenmin en waarom zou ik.
Ik bleef mij maar afvragen wat de reden kon zijn dat ik zo werd gestraft. Wat had ik misdaan dat ik hier in mijn eentje moest achter blijven. Niet naar huis naar vader en moeder, mijn broers en zussen. Wat wilde pater prefect toch van mij en waarom zat hij aan mijn piemel? Met de andere paters en broeders had ik weinig contact dus liep ik alleen door de verlaten gangen, de trapportalen, de lege refter en de slaapzaal. Achter het gordijn van mijn slaapplek vond ik ook al geen geborgenheid of troost. Telefoneren naar huis mocht niet dus ik dwaalde maar rond het voetbalveld en kwam altijd weer terecht bij de Heilige Maria in de grot. De opdrachten die ik had gekregen om bijvoorbeeld de Latijnse vervoegingen in mijn hoofd te stampen deed ik wel maar ik was nergens echt geconcentreerd mee bezig. Ook voelde ik zij ogen constant op mij gericht, waar ik ook was of liep, en vermeed ieder oogcontact met hem en ging hem zoveel mogelijk uit de weg. Hij had zo’n vaderlijke en ook wel vertrouwde uitstraling maar zijn ogen waren altijd streng en hij boezemde mij ook angst in. Dat was wel totaal anders als met de pater overste, hij was de vriendelijkheid zelve maar je zag hem zo weinig en contact met hem maken was een onmogelijkheid. Die afstand was te groot voor zo’n kleine jongen een onbereikbare afstand. Dat kwam ook wel door de hiërarchische structuur binnen het systeem van het seminarie. Natuurlijk was ik ook veel te jong om te denken aan complot theorieën of andere kwade bedoelingen aan mijn adres. Mijn heilige geloof in de kerk en in mijn eigen intenties sterkten hielden mij min of meer op de been. Ik merkte ook niets van mijn onrust bij anderen dus wat was er dan toch aan de hand? Wat deed ik fout en wat bracht mij zo in verwarring? Waarom voelde ik mij schuldig over iets waar ik niets van begreep? Dat hield mij bezig en bleef ook maar rondzingen in mijn hoofd. Het was ook absoluut geen onderwerp van gesprek met je andere vriendjes. Van niemand hoorde of zag ik ook maar iets dat leek op mijn onrustige gevoel en verwarde gedachten. Het moest gewoon aan mij zelf liggen en kon verder niets betekenen. Vele jaren later heb ik mij dit duizenden malen afgevraagd, “waarom sprak ik hier niet over want ik had toch ook niets te verbergen of iets verkeerds gedaan?” Nee, iedereen hield zijn mond maar dat wist je niet. Wat is het geweest dat we collectief hebben gezwegen? Was het schaamte, bang voor represailles, angst om niet geloofd te worden? Monddood waren we en daarvan werd uiteindelijk dankbaar gebruik gemaakt. Wisten wij veel, jonge jongens met een heilig geloof in hun missie. De kerk was heilig en zijn dienaren waren dat uiteraard ook die stonden allemaal in het teken van god en het grote doel de wereld te verbeteren.
Hoe dankbaar heeft dit kerkelijke geboefte hier gebruik van gemaakt. Ongestraft konden zij hun gang gaan. De viespeuken die zich vergrepen aan de jonge maagdelijke en makkelijke slachtoffers die nog volstrekt onbekend waren met seks en seksuele handelingen. Makkelijke prooien in een volkomen afgeschermde wereld achter hekken en grote gebouwen. Een predikende kerk van een heilig geloof en zaligheid die zelf zo rot was als een mispel en deed alsof zij Gods Woord spraken.
Wist ik veel, van die wijsheid was ik nog geheel onkundig. Mijn roeping stond centraal en dat was mijn houvast in mijn nog prille bestaan. In deze omgeving met al die jonge mannen met hetzelfde geloof en intenties met daarbij de sacrale sfeer van het seminarie en al die paters en broeders waren een bevestiging van mijn goede keuze. Ik keek natuurlijk ook geweldig op tegen dit instituut met al hun goede bedoelingen en gedrevenheid ons op te leiden tot het priesterschap. Mijn drie heerooms die ook bij deze congregatie van de Paters van het Heilig Hart van Jezus hadden gezeten waren het levende bewijs van deze goede zaak. Zo jong als ik was met mijn ervaringen als misdienaar en koorknaap in onze parochie verstevigden nog dit beeld. Natuurlijk was ik mij wel bewust van deze speciale exercitie want mijn andere broers hadden een geheel andere keuze gemaakt. Ook niemand van mijn vriendjes of mensen in de buurt hadden deze keuze gemaakt. Ik was hier niet extra toe aangespoord maar wellicht dat mijn zeer katholieke opvoeding en mijn heerooms, aan wiens pij ik hing als zij bij ons waren, mij hiertoe hebben bewogen.
Misschien was ik wel een heel heilig boontje met mijn missaal en relikwieën daarin die mij werkelijk heilig waren, ik had een rotsvast geloof in de heiligheid zo jong als ik was. Ik weet mij nog te herinneren dat ik mijn moeder vertelde dat ik naar het seminarie wilde gaan en zij mij omhelsde als was ik door God uitverkoren, zij was zo intens blij en trots dat een zoon van haar deze roeping wilde gaan volgen. Haar oogappel ging voor het priesterschap, mooier kon het nooit meer worden.
Mijn overpeinzingen maken plaats voor de afspraak bij pater Peters voor de ademhalingsoefeningen. Als sopraantje had ik al redelijk mijn sporen verdiend, kon noten lezen en ook het gregoriaans boeide mij bovenmatig. Als ademhalingsoefeningen mij konen helpen beter te zingen dan wilde ik dat graag. Daar kwam bij dat pater Peters een vriendelijke en populaire pater was bij alle jongens. Hij voetbalde met ons mee en het geluid van zijn benen in de lange pij als hij snel over het veld liep is altijd in mijn geheugen blijven hangen. Het was als het ruisen van de wind in de bladeren van de populieren langs ons voetbalveld. Dat schurende geluid was zo herkenbaar voor zijn aanwezigheid en onmiskenbaar voor hem. Deze kleine kalende pater die naast het lesgeven zich graag uitleefde als snelle dribbeleer op het voetbalveld. Zijn kamer was in een van de lange gangen van het klooster waar meerdere paters hun werkkamer hadden. In het hele gebouw lagen marmeren vloeren en trappen waarbij de muren betegeld waren met fraaie motieven.
Die grote ruimtes, gangen, trapportalen en hallen hebben altijd een onuitwisbare indruk op mij gemaakt. Je kon er rennend en glijdend door heen als kleine jongen in zo’n majestueuze omgeving hoewel ons slaapzaal daarbij een compleet ander beeld gaf. Dat was een hele grote, bedompte ruimte met aan alle kanten die kleine chambrettes met een gordijn als voordeur. Het midden van deze zaal was geheel gevuld met diezelfde chambrettes met de ruggen tegen elkaar en de gangpaden er tussen in. Boven ons was een grote open zoldering en we konden dus ieder zucht, snik en andere geluiden horen.
Pater Peters kamer was achterin zo’n mooie lange gang met fraaie houten deuren. Ik klopte op zijn deur en direct daarop deed hij open en vroeg mij binnen te komen. Hij kende mij natuurlijk al vanuit het koor en kende mijn zangkwaliteiten en wist dat hier iets te verbeteren viel door betere ademhaling.
“Je moet met je buik ademhalen”, zei hij al vaker tegen mij maar dat was een ademhalingstechniek die ik niet kende. Gewoon flink inademen en je borst doen opzwellen, dat was het dat ik altijd gewend was. Maar Pater Peters zou mij daarbij behulpzaam zijn en ook het ademen met de buik mij eigen maken.
Zijn kamer stond vol met verschillende meubels. Bij binnenkomst stond je direct tegen een vierkante tafel met stoelen aan iedere zijde. Links stond een bank en bij het raam een tafeltje met een stoel waarnaast een schemerlamp. Aande rechterzijde was een bureau met bureaustoel waarnaast nog een deur die waarschinlijk naar een slaapkamer leidde. Hij vroeg mij rechtop te gaan staan en eens flink in te ademen. Ik haalde diep adem en vulde mijn longen met lucht. Pater Peters stond recht voor mij en keek geamuseerd hoe mijn gezicht steeds roder werd door het inhouden van de adem. Nadat ik de lucht uit mijn longen had uitgeblazen zei hij dat ik eigenlijk maar voor 50% gebruik maakte van de capaciteit om lucht te gebruiken bij het zingen. Ik begreep dat niet omdat ik toch maximaal had ingeademd en mijn longen had gevuld met lucht. Ik was niet de enige zei hij die ingeademde lucht veel beter zou kunnen gebruiken bij het zingen. Ook je buik is een prima opslagruimte voor ingeademde lucht verkondigde hij. Samen met je longen en je buik krijg je veel meer capaciteit om lucht te gebruiken bij het zingen. Dat was de basis van zijn ademhalingstechniek.
Hij ging staan en trok zijn pij strak tegen zijn lichaam. “Kijk maar”, zei hij, “en let op mijn borst en buik”. Hij haalde flink adem en ik zag zijn borst en buik opzwellen met de ingeademde lucht. Toen zong hij even en zei daarna dat door de dubbele hoeveelheid lucht hij nu makkelijker kon zingen zonder geforceerd een noot te halen. Dat klonk heel plausibel en leek er ook op dat je hierdoor met minder inspanning en met meer vertrouwen een muziekstuk aankunt. Hij keek mij zelfvoldaan aan en benadrukte nog maar eens dat het mij ook zou helpen om mijn zangkwaliteit hiermee te verbeteren. Dat was niet tegen dovemans oren gezegd en ik wilde natuurlijk maar wat graag deze techniek mij eigen maken. Peter Peters wees mij nog op het feit dat je bij de normale longademhaling je net deed alsof je daarbij groter werd, je licht je eigen lichaam enigszins op. Dat is ook zo want je blaast je borst op en het lijf gaat automatisch omhoog. Rustig blijven staan en beseffen dat je lucht kunt inademen door de mond en door de neus zonder het lichaam daarbij extra te gebruiken, benadrukte hij. Probeer eens in te ademen zonder jouw longen te vullen en gebruik jouw buik daarvoor in de plaats. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan want dat had ik nog nooit zo gedaan. Het automatisme door je borst te gebruiken bij het inademen zat er zo diep in dat je daar nooit bij hoefde na te denken. Nu moest ik echt nadenken om juist niet mijn longen te vullen en dat was heel ongebruikelijk.
Pater Peters ging naast mij staan en drukte zijn ene hand op mijn borst en de andere op mijn rug. “Haal eens adem door jouw neus zonder de longen te gebruiken en vul je buik met de ingeademde lucht”, zei hij en drukte daarbij steviger op mijn borst. Dat ging iets makkelijker omdat ik bewust mijn borst niet groter maakte maar het bleef wel ongemakkelijk. Het lukte toch beter door via de neus in te ademen want de behoefte om de borst te vergroter was minder. De buik kwam nu naar voren en dat was beslist een extra ervaring. Als dat goed lukt kun je daarnaast ook nog lucht in de longen inademen door dat nu door de mond te doen. Dit was een openbaring en ik was aangenaam verrast en verbaasd. Zo gebruik je gelijktijdig de buik en longen bij het inademen en verkrijg je extra luchtvolume. Dat was allemaal wel wat veel zo bij deze eerste ademhalingsoefening en al helemaal niet zo makkelijk. Ik deed mijn stinkende best want ik zag wel bewaarheid dat dit mijn zangkwaliteit zou kunnen verbeteren.. Daar kwam bij dat ik het als een voorrecht ervaarde dat juist ik was gevraagd om deze techniek onder de knie te krijgen. Dat gaf mij een trots gevoel hoewel ik mij dit allemaal nog moest eigen maken. Na een aantal malen deze oefeningen gedaan te hebben zei Pater Peters dat ik dit wel snel zou leren en dat hij mij daarbij nog enkele trucjes zou aanreiken maar dat kwam allemaal bij de volgende lessen. Als schuchtere jongen had ik op de deur bij hem aangeklopt en verliet nu als volleerd zanger zijn kamer na deze eerste ademhalingskennismaking. Zo voelde dat tenminste toen ik door de gangen terug liep naar de refter. Ik was gegroeid als zanger en zou iedereen nog versteld doen staan met deze exclusieve nieuwe zangtechniek. Ik ademde, beurtelings, de lucht in door mijn neus en mond en meende al direct grote vorderingen te hebben gemaakt. Dankzij natuurlijk deze aardige, kleine, kale pater Peters. De eerste opdracht die ik had meegekregen was natuurlijk dat ik mijn longen niet moest gebruiken bij het inademen maar alleen mijn buik. Dat klinkt wel heel eenvoudig maar dat was ik natuurlijk helemaal niet gewend. De longen waren er per slot van rekening voor om in te ademen en aan de buik was nooit gedacht, laat staan dat iemand mij daarop had gewezen.
Maar zo bedacht ik mij, mocht ik dat goed onder de knie krijgen, dan was ik daarmee bijzonder binnen het koor. In zo’n grote besloten groep van gelijkgestemden ben je gauw een grijze muis en daarbinnen uitblinken en iets bijzonders presteren maakt je uitzonderlijk en die gedachte stond mij wel aan. Ik zou mijn beste beentje gaan bijzetten want zingen was een passie en daar nog in excelleren was een mooi vooruitzicht. Wel worstelde ik nog met de gedachte of ik mijn ademhalingsoefeningen zou delen met mijn vriendjes of ze later gewoon zou confronteren met mijn grote vorderingen op zanggebied. Erg veel tijd om daarover eens van gedachten te wisselen was er eigenlijk niet want het dagelijkse schema was dusdanig krap om daar veel tijd aan te besteden. Alle studie slokte je op en naast de vele religieuze bezigheden had je de handen vol om in dit strakke regime je staande te houden. Had ik eerder nog wel eens mijn gedachten bij thuis en mijn broers of zussen was ik ondertussen wel helemaal een fanatieke seminarist geworden die zich bewust was om zijn roeping te volgen. Er werd je ook weinig tijd en ruimte gegeven om je gedachten aan andere zaken te besteden dan waarvoor je hier was als uitverkorene in een selecte groep van geloofsbelijdenaars. Dat ook werd ons vaak genoeg voor gehouden, het was onze eigen keuze geweest, en van enige indoctrinatie waren wij totaal niet bewust. Bij mij was het stelling een rotsvast geloof in het heilige doel om priester te worden en daar moest ik heel hard voor werken. Ik wist dat ik me veel opofferingen moest getroosten en de weg van 6 jaar klein seminarie en 6 jaat groot seminarie was daarin een lange weg die ik moest gaan. De saamhorigheid van alle studiegenoten steunden je daarin en och wat wist ik eigenlijk pas op mijn 13e jaar met een strenge katholieke opvoeding als bagage en nog eens enkele heerooms als lichtend voorbeeld. Ik was voorbestemd, zo voelde dat nu eenmaal, en ik voelde mij daar prima bij.
Tussen de lessen door was ik druk met mijn ademhalingsoefeningen en neuriede het gregoriaans door afwisselend lucht in mijn longen en buik te ademen. Zelf had ik al het idee flinke vorderingen te hebben gemaakt maar pater Peters strafte mij al snel af bij de tweede maal dat ik weer op bezoek was bij hem. Ik diende dat veel geconcentreerder en nadrukkelijker te doen dan maar even mijn longen vol te zuigen en mijn buik te bewegen. Dit bleek half werk te zijn en met zijn hand op mijn buik vroeg hij flink in te ademen zonder mijn longen te gebruiken. Door zijn bestraffende stem bleek ik niet in staat dat goed te doen. Hij zag dat ik het er moeilijk mee had en zei dat ik weer rustig moest denken aan wat hij de eerste keer had gezegd en voor gedaan. Ik had gehoopt hem te laten zien dat ik erg mijn best had gedaan en al vooruit was gegaan na de eerste les. Mijn teleurstelling was kennelijk zichtbaar en pater Peters deed zijn best mij op mijn gemak te stellen en zei gewoon van voren af aan te beginnen. Waar ging het ook weer om? Meer adem en dus volume om beter te kunnen zingen, de buik had extra opslagruimte om die daarvoor te benutten. Ik wist het wel maar was, op de een of andere manier, van slag en probeerde mij het gewoon weer in te beelden. Zijn overvolle kamer overviel mij staande tussen de tafel en de bank en ik voelde mij niet op mijn gemak. Nu pas ook zag ik hoe de wanden behangen waren met afbeeldingen van de paus, bisschop en andere geestelijkheden.
Peter Peters sloeg een arm om mij heen en vroeg of ik een glaasje prik wilde hebben. Hij ging de deur in naast het bureau en kwam even later terug met een glaasje cola. Ik had ondertussen een van de foto’s herkend die dezelfde was van de pater waarvan ik een foto met relikwie in mijn missaal had. Dat relikwie bestond uit een minuscuul stukje stof van zijn pij achter plastic dat verwerkt was in de foto. Hij was een heilig verklaarde pater die van onze congregatie was; de Paters van het Heilig Hart van Jesus. Dit gaf toch weer een extra band met pater Peters en ik vroeg mij af of hij ook zo’n relikwie had die ik bezat. Van verdere ademhalingsoefeningen kwam niets meer en hij vroeg of ik wel wist wat de eerste keer besproken was en of ik dat wel goed had begrepen. Ik beaamde dat en benadrukte dat ik het heus wel wist maar nu even de kluts kwijt was. Over een week zou ik weer les krijgen en na de cola verliet ik zijn kamer.
Eens per kwartaal mochten we naar huis voor een paardagen vakantie en na de eerste kwellende maanden van ongekende heimwee behoorde dat ondertussen wel tot het verleden. Niet dat ik nooit meer heimwee had naar huis, mijn broers en zussen, de bakkerij en winkel en mijn vroegere vriendjes. Natuurlijk wel maar het seminarieleven en het volgen van mijn roeping bepaalden steeds meer mijn gedachten en beweegredenen. Thuis was ik wel de jongen geworden met die bijzondere roeping, ook wel het heilig boontje die met veel passie het geloof belijde en veelvuldig in de kerk te vinden was. Het geloof was nu eenmaal mijn leidraad geworden en veelal bepalend voor mijn doen en laten. Samen bidden voor en na het eten en ’s avonds op de knieën voor het bed. Op zondagmorgen naar de hoogmis en ’s middags naar het lof. Vaak vroeg moeder mij of ik wilde voorbidden want per slot van rekening studeerde ik voor het priesterschap. Als het weer tijd was om te biechten gingen mijn broers en zussen niet meer met mij mee. Gezeten in de kerkbanken wachtte je de beurt af om de biechtstoel in te mogen en als het mijn beurt was bleef die vaak wel 20 minuten gesloten. Ik maakte veel werk van de biecht en dat kostte nu eenmaal tijd en daar hadden mijn broers en zussen echt niet het geduld voor. Datzelfde gebeurde als we langs de 12 staties liepen op de speciale zon- en feestdagen. Die prachtige grote schilderijen die de lijdensweg van Jezus uitbeelden maakten enorme indruk op mij. Bij iedere statie was de voorstelling daarvan zo levensecht weergegeven dat ik mij daar geheel in kon verplaatsen. Ik zag het allemaal voor mij gebeuren en had ongelooflijk veel te doen met Jezus en zijn lijdensweg waarbij hij zo gruwelijk werd behandelt terwijl hij toch voor ons op aarde was teruggekeerd. Het was allemaal zo verschrikkelijk en onterecht waarbij ik weinig anders kon bedenken dan te helpen om dit onrecht goed te maken. Ik voelde het als een verplichting. Mijn tocht langs deze kruisweg duurde dan wel even want daar kon je echt niet zo maar even aan voorbij lopen zonder het goed tot je te laten doordringen. Ik was veelal de enige die hier werk van maakte en kwam veel later thuis dan mijn broers en zussen. Ik voelde mij ook zeer op mijn gemak in onze parochiekerk waar ik voordien al misdienaar en koorknaap was geweest. Wij woonden om de hoek dus het was al helemaal geen enkele belemmering er heen te gaan. Ik kende er de weg, was kind aan huis en liep veelal door naar de sacristie waar de koster meestal aan het werk was. Natuurlijk kwam het gesprek dan op het seminarie en zeker als ik ook nog de kapelaan of pastoor tegen kwam. Naar mijn weten was ik ook de enige jongeling in onze parochie de gekozen had voor het priesterschap. Men kende mij en ik werd wel bewondert voor mijn stap naar het seminarie. Mijn vroegere vriendjes zaten ondertussen op de ULO, HBS of gymnasium en die zag ik weinig op momenten dat ik even thuis was. Een bezoek aan de paters van klooster Sion stond meestal wel op het programma. Daar was ik vroeger al vaak geweest en zij kwamen ook bij ons thuis en in de winkel. Met een van hen had ik een speciale band opgebouwd en mijn gesprekken met hem waren altijd heel bijzonder. Zelf had ik grote bewondering voor de paters en broeders op Sion waarvan de meesten niet mochten praten.
In praktisch gehele afzondering waren zij dagelijks in gebed, werkten op het land of deden huishoudelijk werk. Sion was een prachtig klooster op een groot landgoed waar zij zich van de wereld hadden afgezonderd. In deze sacrale omgeving voelde ik mij thuis in bewondering voor deze mannen die zich alles hadden ontzegd voor het geloof. Niet praten, geen communicatie, vooral op jezelf aangewezen in afzondering en maar bidden, bidden en nog eens bidden. Dat leek mij toch wel een erg eenzaam bestaan en wat een opoffering om daartoe te besluiten. Het stond op hun gezichten geschreven en ik mocht die mannen, hard werkend op het land in gedachten verzonken rondlopend op de binnenplaats en languit liggend op de vloer van de kapel. Met grote bewondering en respect zag ik dat vaak aan wetend dat ook ik mijn roeping had in het geloof. Pater Helarius was daar mijn praatpaal en hij kon mij ook geweldig inspireren in mijn nog jeugdige dat in belangrijke mate nog gevormd moest worden met het geloof als centraal middelpunt. Zo jong als ik was voelde ik mij zeer aangetrokken tot deze grote religieuze mannenwereld. Dat was nauwelijks een onderwerp van gesprek met mijn broers, zussen en vriendjes. Ik had mijn keuze gemaakt en was daarmee een buitenbeentje waardoor ik, onbewust, in een andere wereld was komen te staan. Daar kwam bij dat ik met mijn viool, gitaar en blokfluit, oefenend op onze voorkamer, mij ook had afgezonderd van hun gebruikelijke hobby’s. Mijn oudste zus en iets oudere broer speelden weliswaar piano maar dat was slechts sporadisch. Het gejammer op mijn viool kon hun beslist niet boeien maar ik had muzikaal huiswerk meegekregen en dat nam ik uiterst serieus, zoals ik dat eigenlijk met alles deed. Ik maakte niet of nauwelijks deel uit van hun kwajongens wereld waarin spelen en ravotten een belangrijk onderdeel was. Te vaak ook werd ik als voorbeeld gesteld door vader of moeder ten overstaan van mijn broers en zussen. Dat wilde ik helemaal niet maar als gelovige oogappel viel mij die ongevraagde eer wel te beurt. Ik denk ook dat er wel een zucht van verlichting werd geslaakt als ik met mijn instrumentaria en al weer vertrok naar Helmond, aar mijn heilige omgeving. Daar was ook geen enkele sprake van wereldse zaken en de afleiding die dat met zich meebracht. Het seminarie was een volstrekt afgesloten eigen wereld met enkel aandacht voor hetgeen je was voorbestemd. Slechts gelijkgestemden bepaalden hier de dagelijkse gang van zaken onder leiding van de pater Overste, de prefect en alle andere paters en broeders. Een complete mannenwereld waar ik nooit een vrouw heb ontwaard. De paters gaven les en de broeders zorgden voor alle onderhoudswerkzaamheden, het eten, schoonmaken, etc. Alles was in feite strak geregeld, de hele dagindeling was op de minuut ingedeeld en voor iedere andere activiteit of handeling was een rooster of reglement. De grote bel wist je ook precies te vertellen wanneer we weer naar de kapel moesten voor gebed. Zelfs de wandeling naar Helmond Sport ging strak in het gelid met een pater of broeder vooraan en achteraan om de zaken goed te begeleiden. Wij voelden dat overigens helemaal niet als een bedreiging of iets abnormaals, orde en gehoorzaamheid was een vanzelfsprekendheid. Zo waren wij opgegroeid, het zat in ons systeem en in ons geloofs-dna. Op weg naar ons voetbal uitje waren wij geen bijzonderheid, zeker niet in het Brabantse leven. Daar was de kerk met al zijn dienaren een vertrouwd beeld in het dagelijkse leven. Toch was dat uitje voor ons wel iets om naar uit te kijken want het verbrak wel degelijk het strakke regime van alledag en bracht ons enige uitbundigheid zeker als er ook nog werd gewonnen. Het stadion kolkte dan van vrolijk springende supporters die hun geluk niet op konden. Zelf stond ik altijd achterstevoren naar het publiek te kijken anders dan naar de spelers op het veld. Ik vond die mensen veel interessanter en verbaasde ik mij over de opgewondenheid en betrokkenheid van de mensen bij zo’n potje voetbal. Ik ging liever mee om naar de mensen te kijken dan dat het voetbal mij erg boeide. De hele voetbalcompetitie ging aan mij voorbij en ik kende geen enkele speler van naam of volgde de stand in de competitie. Enige opgewondenheid daarover was mij vreemd en ik was ook geen fan van een bepaalde club of speler van naam of faam. Ook zelf een partijtje voetbal spelen was niet direct een favoriete bezigheid. Ik deed wel mee maar was zeker geen uitblinker op het veld. Daar stond tegenover dat ik wel enthousiast te krijgen was voor een spelletje kaarten, dammen of schaken. Lezen deed ik ontzettend veel en kon mij geheel verliezen in de verhalen over de oudheid, het ontstaan van de wereld, het sterrenstelsel, volkenkunde en mythologie. De bibliotheek was voor mij een vertrouwde omgeving waar ik vaak vertoefde tot de bel klonk voor bedtijd. Altijd had ik wel een aantal boeken over verschillende onderwerpen die ik gelijktijdig las en bestudeerde. Dat was vooral mijn afleiding naast alle tijd voor de studie, religie en het gebed dat voor het allergrootste deel de tijd van iedere dag bepaalde. Wij waren ons allen wel bewust van hetgeen waarvoor wij hier waren; onze roeping, het priesterschap en de lange opleiding die daarvoor nodig was. Alles daarvoor was bepalend in de dagbesteding, de roosters en agenda. Het Gregoriaans was voor mij iets waarvan ik bijzonder kon genieten. Deze muziek had mijn grote belangstelling waarvoor ik mijn beste beentje wilde bijzetten. Ik vond dat prachtig en de gedachte dat ik mij daarin verder kon bekwamen vervulde mij met veel plezier. Die extra ademhalingsoefeningen kostten mij beslist geen moeite en met veel genoegen ging ik voor mijn volgende les weer naar pater Peters. Zijn kamer begon een vertrouwd beeld te worden en ik was weer geheel voorbereid op de volgende ademhalingsoefening. Bij binnenkomst viel het mij op dat pater Peters met de rug naar de deur stond en ik hoorde een klik dat de deur op slot ging. Ik bemerkte dat mij dat opviel doch schonk er verder geen aandacht aan. Hij vroeg mij weer om op mijn rug op de bank te gaan liggen en hij legde weer enkele boeken op mijn buik. Ondertussen was ik redelijk voorbereid op deze oefening en zonder veel problemen wist ik door goed mijn buik te gebruiken bij de ademhaling de boeken omhoog te bewegen zonder dat ze van mijn buik vielen. Pater Peters was zichtbaar tevreden en vroeg vervolgens of ik eens met mijn buik op de tafel wilde gaan liggen. Hij zei dat ik dezelfde ademhalingsoefening moest doen waarbij ik mij dan een beetje van de tafel omhoog zou drukken door goed mijn buik te gebruiken bij de ademhaling. Enthousiast reageerde ik op deze oefening want dat werkte wonderwel. Plotseling bemerkte ik dat Pater Peters mijn broek naar beneden trok terwijl ik op de tafel lag en ik voelde zijn lichaam bovenop mij. Hij zei mij te moeten doorgaan met dezelfde ademhaling maar dat lukte niet want ik kon mij nauwelijks bewegen. Voor ik het goed en wel in de gaten had voelde ik dat hij mij in mijn kruis betastte en in mijn achterste bezig was. Wat was dit nou, ik werd gewoon overmeesterd en al helemaal niet wetend wat er nu toch aan de hand was. Ik begreep er niets van, wat deed Pater Peters nu toch met me en ik wist wel dat het niets met mijn ademhaling te maken had. Hij deed me ook pijn en ik kon me absoluut niet bewegen met zijn lichaam boven op mij. Ik voelde dat ik van achter nat werd en dat er vocht in mijn bips liep. Ik probeerde iets te zeggen maar ook dat lukte mij absoluut niet want ik was volkomen in verwarring. Ik hoorde Pater Peters hijgen en hij bewoog heel onrustig waarbij ik bijna van de tafel werd geduwd. Ik zag de tafel naar de deur bewegen en hoorde de poten op de grond schuiven. Na enige tijd voelde ik het gewicht op mij minder worden en kon ik weer enigszins ademhalen. Pater Peters zei mij dat ik nog even op de tafel moest blijven liggen en proberen of ik de ademhalingsoefening weer kon doen. Ik deed dat ook want je was gewend te doen wat je werd gevraagd maar het was wel erg lastig te voelen dat ik in mijn blote buik op de tafel lag met de broek op mijn enkels. Even later voelde ik dat Pater Peters mijn bips afveegde en zei dat ik wel weer kon komen staan. Ik weet mij nog te herinneren dat ik hem heel verbaasd moet hebben aangekeken want hij vroeg nog aan mij of ik pijn had gehad en dat dat helemaal niet zijn bedoeling was geweest. Hij vertelde mij dat hij deze oefening helemaal verkeerd had ingeschat en dat hij zich had vergist. Ik begreep absoluut niet wat hij bedoelde en terwijl ik snel mijn broek omhoog trok probeerde ik ook de kamer snel te verlaten. De deur zat op slot en nadat hij de deur had open gedaan snelde ik direct naar boven naar mijn slaapplek waar ik huilend onder de dekens ben gekropen. Later die middag stond ik weer bij de grot te bidden bij het Mariabeeld.
Niet lang daarna speelde ik in een toneelstuk en moest mij in de kelder omkleden voor mijn optreden in een volgend bedrijf. Daar stond Pater Peters mij op te wachten en zei mij te willen helpen bij het omkleden. In plaats daarvan vergreep hij zich wederom aan mij en drukte mij op de tafel en voelde ik hem bij mij binnendringen. Dat gebeurde allemaal heel snel en praktisch geruisloos terwijl boven ons in de zaal de mensen en onze mede studiegenoten zaten te kijken naar het toneelstuk. Ik kan mij niet meer herinneren of ik daarna nog in het toneelstuk heb opgetreden want ik weet wel dat deze ervaring en plotselinge overval mij compleet in verwarring had gebracht. Wel weet ik dat ik Pater Peters steeds meer begon te mijden hoewel dat erg moeilijk was want zij waren per slot van rekening de baas en ongehoorzaamheid was volstrekt uit den boze.
Mijn verhaal ligt nu al lang op de plank en ik heb bij het schrijven over de ervaringen met de ademhalingsoefeningen jarenlang hier geen vervolg meer aan kunnen geven.
De herinneringen waren te heftig. Wellicht pak ik het nog weer eens op want mijn verhaal is uiteraard hier niet geëindigd. Het was mijn bedoeling om het, zonder hoofdstukken, in één doorlopend verhaal op te schrijven.